Ondertussen in Amsterdam, 4 november 2018

Zondagmorgen

Een bleke zon tuimelt over de daken van de gracht. De herfst tintelt op mijn gezicht, een koel washandje langs mijn wangen. Ik fiets.
Elf uur, de stad ontwaakt. Ik sla linksaf de Prinsengracht op. Toeristen bewegen van Leidseplein naar Anne Frank huis, en terug. De Ramblas van de grachtengordel.
Een bestelauto remt voor een verkeersdrempel, geeft gas, remt, geeft gas. Ik volg, rem, schakel. Een dansje van vijf minuten.

Bij de kruising met de Haarlemmerstraat verdwijnen de auto’s in de donkere mond van het viaduct. Links en rechts fietsers, scooters, bezoekers van de winkelstraat. Toeristen steken aarzelend over, niet wetend waar te kijken, vrezend voor de fietsers, de wilde dieren van het verkeer die je onverhoeds bespringen. Drugs, hoeren, fietsers, de toeristische obsessies van het vrijzinnige Amsterdam.

Aan de overzijde van de Korte Prinsengracht het fietspad naar de eilanden. Tien vierkante meter bloementuin in een driehoek naast het spoor. Een woonboot achter een tuinhekje. Fietsen bij de squash-hal. Ik stap af. In mijn hoofd kaatst de bal in de hoek en valt dood. Punt. Ik pak mijn racket en ga naar binnen.

Ondertussen in Amsterdam, 25 oktober 2018

Op de fiets langs de Middenweg. Twee autostroken, een vrije trambaan, een reepje fietspad. Per ongeluk raak ik mijn bel. Voor me zwaait een man wild met zijn handen, mompelt onverstaanbare verwensingen en zet de vaart erin. Aangespoord door het toeval. In Amsterdam zit je nooit om een prikkel verlegen.

De Middenweg. Naam van de eenvoud. In de 17e-eeuw gegeven aan de plattelandsweg die de Watergraafsmeer, nieuw land gemalen uit water, simpelweg in tweeën deelt. Tot 1921 een eigen gemeente. Diemen heeft haar plaats aan de Oostflank ingenomen. Kleine buur, grote identiteit, stil verzet.
Nog geen 100 jaar is de Middenweg nu Amsterdams, en misschien wordt het dat wel nooit. Een landhuis, de halte van het Gooise trammetje, lage bebouwing. Een straat tussen stad en land.
Ik koers door de tijd en steek in gedachten van de Middenweg door naar de Oetewalerweg, en zie voorbij het Muiderbos en de herbergen in de verte de stadspoort. Daar is Amsterdam.

Dan passeer ik de Muiderkerk. De oude toren weerstond de brand van dertig jaar geleden. Ze kijkt me aan. Een nieuwe deur in de tijd naar het kerstfeest van de zondagskerk van de Tugelaweg.
Tante Rie draagt een kerstverhaal voor, uit haar hoofd, en ik speel met vijf gelukkigen een lied op de blokfluit. Het avontuur is niet het optreden, maar de geheimzinnige wereld achter de coulissen, waar alleen de uitverkorenen toegang hebben. We zwermen door het gebouw, bevangen door de euforie van de kolonist die zojuist de rivier is overgestoken. Steeds keren we terug in de grote kamer met in het midden de onmetelijke schaal met chocolaatjes. Ze vinden mijn mond. Vruchten van het nieuwe land van overvloed. Nooit smaakte snoepgoed zoeter en volmaakter als die dag in 1966.

De Muiderkerk. Ik houd in en monster de toren.
In mijn mond proef ik de zachte cacao en begrijp nog steeds niet: hoe heeft die rijstebrijberg van chocola ooit in de kerk gepast?

Ondertussen in Antwerpen, 21 oktober 2018

Antwerpen. Een rivier van mensen stroomt van het klassieke station door de Keyserlei de stad in. Pleisterplaatsen op de oevers. De vloed vertakt naar zijstraten, terrassen, buurgemeenten. Een hand met honderd vingers.

De zon bezweert de ochtendkou en lokt mensen naar het hart van de stad. Een vroeg glas wijn, het modehuis, geen haast. Vlaamse en Franse stemmen naast Nederlandse dialecten. Geen Engels, Spaans of Italiaans als in Amsterdam.

Echtparen begroeten elkaar in de opera.. Ik lees de regels. Een voorzichtige aanraking, een glimlach, ‘dat is lang geleden!’ Gesoigneerd, voorkomend, etalage van manieren.

Zondagmiddag in het beeldenpark. Opnieuw grote scharen op de been. Jonge mensen domineren, gezinnen, overal groepen van 2 tot 6 mensen.
Wat een liefde voor cultuur in Vlaanderen.
Allen kijken ingespannen op hun scherm. Goed voorbereid, dat moet een app zijn waarop de kunst in routes is gesorteerd. De verzameling is indrukwekkend en omvangrijk. Moore, Rodin, Calder, Hepworth, WeiWei, waar zijn ze? Inderdaad, de app Middelheim vind ik in de Appstore. Wandelingen van 30 minuten tot 6 uur, een kaart, uitleg per beeld over kunstenaar, betekenis, jaar van ontstaan.

We zoeken het bruggetje van AI WeiWei. Het ruwe reliëf van de vloer symboliseert de kaart van China. En de moeizame relatie van WeiWei met zijn moederland. Niemand kijkt ernaar. Men loopt ongemakkelijk naar de overkant en vervolgt zijn weg. Ik maak als enige een foto.

Achter een grote groep bereiken we het zwierige beeld van Rik Wouters. Het vangt de lucht en duwt de bomen op gepaste afstand. We staan stil. Niemand keurt het een blik waardig. Het beeld is van ons.

Ik kijk om me heen. De paden zijn overvol. Energie, vrolijkheid, een zweem van opwinding. We bevinden ons in een onbekende voorstelling, in een toneel waarin de beelden zijn verschrompeld tot anoniem decor. We zijn in de verkeerde trein gestapt en langzamerhand dringt het besef door: de stations zijn ons vreemd, de namen onleesbaar, de conducteur onvindbaar.

In het gras rusten 5 vrienden, de schermpjes in de hand zoals een winkelier de kassa koestert.
Er worden verhalen verteld. Ik werp mijn blik op het dichtstbijzijnde apparaat. Op zijn IPhone zie ik Pokémon.
Even later passeert een man. Hij draagt een open doos die hij met twee handen recht voor zich houdt. In het karton liggen tien IPhones.

Bij het restaurant nemen ze met vier mensen bestellingen op. Een lange rij wacht voor de toog. Als ik aan de beurt ben, vraag ik naar het evenement. De vrouw zucht, ze heeft het niet bedacht, zegt ze.
Het is er en het is Pokémon Go.

Een uur later is de rij langer.
Ze draaien een wereldomzet.

Ondertussen in Amsterdam, september 2018

Het nieuwe huis

Het nieuwe huis wordt door familie verkend.
Mijn schoonvader leidt ze rond. Het appartement, de gratis koffie, de grote tuin die zich ontvouwt tussen blinde muren.
‘Hoe vinden ze je nieuwe huis?’
‘Mooi natuurlijk’. Hij kijkt voor zich uit.
Oude kennissen reageren op de verhuiskaart. Ze telefoneren naar het woonzorgcentrum. Hij spreekt voormalige buren en een collega van de oliemaatschappij.
‘Wat zeggen ze over je verhuizing naar Amsterdam?’ Hij kijkt me peinzend aan.
‘Tja, ze dachten dat er iets met mijn gezondheid was’. Verbaasd zegt hij:
‘Maar ik moest natuurlijk gewoon weg uit het revalidatiecentrum’.
Niets heelt beter dan de geest.

Ondertussen in Amsterdam 18 september 2018

Tulpen uit Amsterdam

Een nazomerdag. De deuren van de eetzaal openen hun armen  naar de tuin. De bewoners eten buiten. Barbecue, partytent, een zweem van zomer.
Vier jonge meisjes zingen Tulpen uit Amsterdam. Ze staan stil bij zijn tafel. Mijn schoonvader kijkt op en legt zijn bestek neer.
‘He, hee, heee , heee.’ Lichte stemmen klimmen omhoog. Dan draaien de heupen en maken ze een dansje.
‘Kom van dat dak af’. Hij zit op zijn stoel, kijkt van de een naar de ander en glimlacht.
Zwieren in gedachten.
Na anderhalf uur is hij moe.
‘We gaan naar boven’. Zevenentachtig. Geen zorg om een hoogtepunt te missen.
Het onvergetelijke is geoogst.