Ondertussen in Amsterdam, 8 december 2018

Ouder

Op straat hoor ik:
schat, wijsheid komt met de jaren.

Ik denk,
misschien groeit het
als schil rond pit,
jaar op jaar,
huid op huid.

De ring omringd
op haar beurt,
geborgen als
vers geplukte vrucht
in een weckfles.

Tijd vervelt tot boom.
De eik die staat,
die in de wind kan zijn.

Gaat het zo?
Wijsheid komt met jaren.
Het andere verdwijnt.

De boom in de rui.
In stilte
verlaat het blad de boom,
valt waar het komt.

Vogels zonder naam groeten,
zoeken naar herkenning.

Wijsheid.
Alles beweegt in de wind.

Ondertussen in Amsterdam, 1 december 2018

Onder water

Een zeemeermin
werpt haar aria.
Als een net,
valt het
over ons,
in vervoering gevangen
in het waterpaleis.

Als ….
opera onderwaterkunst zou zijn.
Zaten vis en vriend
op de eerste rij

En was het Muziektheater,
onderzeeër,
tempel van ijzer
voor godenstemmen.

En kijk,
de diva spiegelt
haar kunsten
in de lucht

Maar toen nam ik de foto
en zag,
boven water,
zo is het niet

Ondertussen in Amsterdam, 28 november 2018

De tijd

Een kop koffie in het woonzorgcentrum.
Mijn schoonvader kijkt voor zich uit. Zoekt hij woorden? Zijn ogen maken contact met de ruimte. Tussen ons in twee kopjes op een tafeltje.
Ik wacht. Ik weet, hij neemt de tijd.
Op zijn gezicht geen begin van een gesprek.
Geen frons die vooraf gaat aan een verzuchting. Geen glimlach die een anekdote aankondigt.
Hij kan meesterlijk zwijgen.
Ik volg zijn blik. De oude actrice zit gebogen over haar telefoon.
‘Hoe kan dat nou, ik begrijp er niets van’. Haar stem vult de ruimte. Maar het apparaat luistert niet.
Het gemopper vormt een wolk, en druppelt onmacht.
Ik sta op en zie dat datum en tijd een avond in 2012 aangeven. Een ander leven. Herinneren kan troosten. De telefoon probeert het, maar vergeefs.
Je kunt maar beter onder ogen zien hoe laat het is.
Ik zet de data in het nu. Ze kijkt op het display en herhaalt wat ze leest:
‘Is het 20 over 11? En vandaag 28 november?’ Als ik het bevestig, glundert ze.
‘Zo zie je maar, je moet een man om je heen hebben.’
Mijn schoonvader keert terug van de WC. Zal ik haar stoel bij hem aanschuiven? Ze pakt haar mobiel, belt een naaste en het moment is voorbij. Ik hoor haar zuchten:
’Wat zal ik zeggen, ik ben ongelukkig’.
Ik kijk naar mijn schoonvader.
Zijn gezicht is windstil. Zwijgen is leven.