Ondertussen in Amsterdam, kerst 2018

De speech

Aan de kerstlunch neemt mijn schoonvader onverwacht het woord. Met zijn rollator heeft hij zojuist de 300 meter naar ons huis klinker voor klinker overmeesterd. Lopen is een tijgergang op leeftijd. 

Een speech. We kijken verrast op. Hij spaart al zijn leven lang woorden. Om ze bij gelegenheid een select publiek uit te serveren. Bij de verhuizing vonden we een schat aan oude toespraken.. Door hem uitgesproken bij het huwelijksjubileum van zijn ouders,  onze bruiloft en bij zijn afscheid van de oliemaatschappij. Ik lees woorden die de herinnering inhalen, want zo is het gezegd. Ik hoor opnieuw zijn grappen, uitgesproken bij zijn pensionering. De lachsalvo’s rolden door de zaal, aangevuurd door verbazing over zijn presentatie en onderkoelde humor. Dat hadden ze niet achter hem gezocht, al die jaren. Werk is een goede schuilplaats voor persoonlijkheden. 

Hij spreekt. 
‘Ja, ik ben dit jaar verhuisd, en men vraagt nogal eens: ‘Het zal wel wennen zijn in Amsterdam?’ 
Hij kijkt ons olijk aan. Dat is wat wij ook denken. Weliswaar geboren in Amsterdam maar na anderhalf jaar verhuisd en decennialang burger van de hofstad en omstreken. Een Haagse heer in Mokum. 
‘En dan zeg ik “Wennen?” Ik woon hier vanaf mijn geboorte, weet je wel!’.’ Hij glundert over de verrassing op onze gezichten als heeft hij plots zijn baard laten staan, een bloemetjesshirt aangetrokken en een bandana om de schedel gebonden.
‘Om met een bekende Amerikaan te spreken die ooit Berlijn bezocht: ik ben een Amsterdammer.’ Nu draait hij plaatjes en danst ons voor hoe de heupen te bewegen. Het is kerst. Alles is mogelijk.

Ondertussen in Amsterdam, 11 januari 2019

In het park zie ik
vogels vechten,
bomen naast een plas

Tot de fietser kijkt
naar strijd, vogels
bij een boom, een plas

En ik alleen nog
fietsers zie, die
vogels voorbij gaan

Dan manen vogels
een fietser: zeg,
wil jij eens stoppen?

En vlucht de fietser,
want vogels die
praten, bestaan niet

Roerloos zit ik waar
alles beweegt en
niets is wat het lijkt

Ondertussen in Amsterdam, 8 december 2018

Ouder

Op straat hoor ik:
schat, wijsheid komt met de jaren.

Ik denk,
misschien groeit het
als schil rond pit,
jaar op jaar,
huid op huid.

De ring omringd
op haar beurt,
geborgen als
vers geplukte vrucht
in een weckfles.

Tijd vervelt tot boom.
De eik die staat,
die in de wind kan zijn.

Gaat het zo?
Wijsheid komt met jaren.
Het andere verdwijnt.

De boom in de rui.
In stilte
verlaat het blad de boom,
valt waar het komt.

Vogels zonder naam groeten,
zoeken naar herkenning.

Wijsheid.
Alles beweegt in de wind.

Ondertussen in Amsterdam, 1 december 2018

Onder water

Een zeemeermin
werpt haar aria.
Als een net,
valt het
over ons,
in vervoering gevangen
in het waterpaleis.

Als ….
opera onderwaterkunst zou zijn.
Zaten vis en vriend
op de eerste rij

En was het Muziektheater,
onderzeeër,
tempel van ijzer
voor godenstemmen.

En kijk,
de diva spiegelt
haar kunsten
in de lucht

Maar toen nam ik de foto
en zag,
boven water,
zo is het niet

Ondertussen in Amsterdam, 28 november 2018

De tijd

Een kop koffie in het woonzorgcentrum.
Mijn schoonvader kijkt voor zich uit. Zoekt hij woorden? Zijn ogen maken contact met de ruimte. Tussen ons in twee kopjes op een tafeltje.
Ik wacht. Ik weet, hij neemt de tijd.
Op zijn gezicht geen begin van een gesprek.
Geen frons die vooraf gaat aan een verzuchting. Geen glimlach die een anekdote aankondigt.
Hij kan meesterlijk zwijgen.
Ik volg zijn blik. De oude actrice zit gebogen over haar telefoon.
‘Hoe kan dat nou, ik begrijp er niets van’. Haar stem vult de ruimte. Maar het apparaat luistert niet.
Het gemopper vormt een wolk, en druppelt onmacht.
Ik sta op en zie dat datum en tijd een avond in 2012 aangeven. Een ander leven. Herinneren kan troosten. De telefoon probeert het, maar vergeefs.
Je kunt maar beter onder ogen zien hoe laat het is.
Ik zet de data in het nu. Ze kijkt op het display en herhaalt wat ze leest:
‘Is het 20 over 11? En vandaag 28 november?’ Als ik het bevestig, glundert ze.
‘Zo zie je maar, je moet een man om je heen hebben.’
Mijn schoonvader keert terug van de WC. Zal ik haar stoel bij hem aanschuiven? Ze pakt haar mobiel, belt een naaste en het moment is voorbij. Ik hoor haar zuchten:
’Wat zal ik zeggen, ik ben ongelukkig’.
Ik kijk naar mijn schoonvader.
Zijn gezicht is windstil. Zwijgen is leven.