Ondertussen in Amsterdam, 31 januari 2019

Poëzie

Om te beginnen
elke dag een glas melk
vol natuurlijk,
twee bruine boterhammen,
met Friese nagelkaas
en een gedicht
van Remco Campert

die met woorden achteloos
parels in oesters legt,
dagelijks de lotto wint,
kettingrokend 90 wordt
het veel te grote
klein schrijft,
goud uit de Amstel zeeft,
de hoek om slaat
en naar ons kijkt,
kaarten uit zijn mouw trekt
die kind en kraai betoveren

straatartiest, goochelaar, magiër
dichter

Terwijl het water van de rivier
door mijn handen spoelt,
een shaggie krepeert,
een zilte oester opent,
vraag ik de weg,
zoek in mijn mouw,

hoe vind je het woord?

Ondertussen in Amsterdam, 22 januari 2019

Ingesneeuwd

Nu het sneeuwt,
de stad is opgemaakt,
blijven je voeten waar
ze niet meer lopen,
bleek en hartstochtelijk mooi

Tot de ramen zijn bedekt,
poolhonden ons gidsen,
naar Albert Heijn,
kinderen uit iglo’s kruipen,
het carnaval van sledes
beweegt, en de wegenwacht
onvindbaar is

De buurman leegt
een vergeten blikje vis
op zijn boterham tevredenheid,
betwittert in zijn hol
de schuldigen
die het natuurlijke laten,
de grenzen openen
voor kou,
asiel bieden
aan vlok en vijand, 
de zakkenvullers, de anderen
de weerman ja

De weerman
ziet alle buien hangen,
en vergeet te zwijgen,
tragische boodschapper
die het liegen is verloren
en met zijn vinger
alleen nog wijst naar hoge druk,
hij prikt er in, niet dat dat helpt
maar geen gezag zonder gebaar

zonder verhaal 
bij de kassa in de rij wordt alleen hij
herkend, en houdt men krijgberaad
over zijn lot

Terwijl meningen smelten
wachten mensen op de bus, de trein
en op de dag
dat winter vlucht 
haar huilende vingers krimpen 
tot water voor de laarzen
van het kind dat plonst en zingt,

met de chrysant die door 
de dop heen

breekt en leeft

Ondertussen in Amsterdam, 14 januari 2019

Niets

Ze zal 20 zijn
als ik de bloemen water geef,
zij nadert met vriendin,
ferme pas, een hand gebaart, haar stem
waait voor haar uit
de straat vast in,
de duif pikt in een korst en
ik kijk op.

De bloemen horen 
woorden uitgespuugd,
onverstaanbaar ongeloof, een requisitoir,
de vriendin knikt, geen speld
tussen te krijgen,

Een zin valt in mijn oor:
‘Er was werkelijk niets, helemaal niets begrijp je, dat we hetzelfde hebben, geen hobby, geen interesse, niets’

Een dubbele boterham met worst en jam.
Wie smeert zoiets? Gevonden
op het aanrecht, je haalt ze snel
uit elkaar, voordat het boterhamzakje
zich sluit en in de tas verdwijnt.

Het was echt gebeurd, je zag het
aan de tango op de stoep, voorwaarts, afscheid
van de regen die met de zon
geen regenboog wilde worden.

Ik kijk haar na, het gesprek waait
naar andere huizen, die het ook moeten weten,
beleven, dit onrecht, het on-geluk,
toeristen, zakenmensen, ja zeker
de winkeliers op de begane grond
draaien hoofden naar hun raam.

We zwijgen er over
in de straat de dagen daarna,
maar iets in de slager,
is veranderd, hij snijdt het lapje
alsof met zijn mes mee
een gedachte beweegt

en dat verrast me niet.

Ondertussen in Amsterdam, kerst 2018

Aan de kerstlunch neemt mijn schoonvader onverwacht het woord. Met zijn rollator heeft hij zojuist de 300 meter naar ons huis klinker voor klinker overmeesterd. Lopen is een tijgergang op leeftijd. 

Een speech. We kijken verrast op. Hij spaart al zijn leven lang woorden. Om ze bij gelegenheid een select publiek uit te serveren. Bij de verhuizing vonden we een schat aan oude toespraken.. Door hem uitgesproken bij het huwelijksjubileum van zijn ouders,  onze bruiloft en bij zijn afscheid van de oliemaatschappij. Ik lees woorden die de herinnering inhalen, want zo is het gezegd. Ik hoor opnieuw zijn grappen, uitgesproken bij zijn pensionering. De lachsalvo’s rolden door de zaal, aangevuurd door verbazing over zijn presentatie en onderkoelde humor. Dat hadden ze niet achter hem gezocht, al die jaren. Werk is een goede schuilplaats voor persoonlijkheden. 

Hij spreekt. 
‘Ja, ik ben dit jaar verhuisd, en men vraagt nogal eens: ‘Het zal wel wennen zijn in Amsterdam?’ 
Hij kijkt ons olijk aan. Dat is wat wij ook denken. Weliswaar geboren in Amsterdam maar na anderhalf jaar verhuisd en decennialang burger van de hofstad en omstreken. Een Haagse heer in Mokum. 
‘En dan zeg ik “Wennen?” Ik woon hier vanaf mijn geboorte, weet je wel!’.’ Hij glundert over de verrassing op onze gezichten als heeft hij plots zijn baard laten staan, een bloemetjesshirt aangetrokken en een bandana om de schedel gebonden.
‘Om met een bekende Amerikaan te spreken die ooit Berlijn bezocht: ik ben een Amsterdammer.’ Nu draait hij plaatjes en danst ons voor hoe de heupen te bewegen. Het is kerst. Alles is mogelijk.

Ondertussen in Amsterdam, 11 januari 2019

In het park zie ik
vogels vechten,
bomen naast een plas

Tot de fietser kijkt
naar strijd, vogels
bij een boom, een plas

En ik alleen nog
fietsers zie, die
vogels voorbij gaan

Dan manen vogels
een fietser: zeg,
wil jij eens stoppen?

En vlucht de fietser,
want vogels die
praten, bestaan niet

Roerloos zit ik waar
alles beweegt en
niets is wat het lijkt