Categoriearchief: Algemeen

Ondertussen in Amsterdam, 14 april 2021

Soms is een nieuw begin zo spannend dat het me herinnert aan het schoolzwemmen, waar de kort amerikaans geknipte badmeester mij woensdagochtends onder water dompelde – om het te leren – en met een haak door het bad trok. 1966.
‘s Ochtends zat ik een uur met buikpijn op de WC alvorens zo langzaam mogelijk naar school te lopen, in de hoop te laat te komen voor de schoolbus, die ons van Slotervaart naar het AMVJ-bad op het Leidsebosje zou rijden, waar het vonnis wekelijks werd voltrokken. Ik was op tijd. Op de rug van de bank hing een wit lapje, alsof ik de rit ontspannen achterover zou willen leunen, het skai-leer van de stoel plakte aan mijn benen. Juf zat op de stoel voorin de bus, naast de chauffeur, die grappen maakte waar ze minutenlang om moest lachen. Ze zwaaide naar hem, terwijl ik de schapen volgde naar de bruine deuren, de geur van chloor, de gele tegels, het schemerlicht boven  het blauwe water zonder vloer. 
Als zesendertighonderd urenlange seconden later het wonder zich openbaarde en ik uit het donkere water bevrijd de terugweg mocht aanvaarden, zag ik als eerste de kalme blik van de Koepelkerk en het grijze Persil-gebouw aan de Stadhouderskade, naast het park, ze waren er nog, net als ik, de zon barstte uit de hemel, de stad zong, alle stoplichten sprongen op groen, de mensen zwaaiden op de Overtoom, naar de klas, naar mij, de overlever, ik  huppelde van school naar huis, zo voelde geluk.

Ondertussen 13 april 2021

CXXIV
In polonaise
de praktijk uit,
pfff, gevaccineerd!

CXXIII
Zoeken naar woorden,
stapvoets, de strijd
om te verbeelden

CXXII
Het zand, duin, de wind
vorm in ruimte
niets is wat het lijkt

CXXI
Ze verjaart, misschien
maakt haar ziel een
dansje, daar, ginds, vrij

CXX
Herman van Veen sprak,
zijn reden om
op te staan: morgen

CXIX
Het waait, een man buigt
naar de regen
Stilte in mijn hoofd

CXVIII
Droomhuis of bouwval
de verbeelding
heeft het laatste woord

CXVII
Op het strand beeld en
woord gevonden
het is een haiku

CXVI
Rutte? Niet gezien
door de haren
voor beide ogen

CXV
De ene voet voor
de andere
Geheim van leven

CXIV
Schuilplaats voor de dooi,
het ijs feest aan
de voet van de dijk

CXIII
Lijk in de branding
Zee ruist een lied
Dooi verteert de sneeuw

CXII
Op de plas stilt men
alle noden
Ik kijk naar ijspret

CXI
Eindelijk, het weer
past zich aan, thuis,
bleek, langzaam, uitval

CX
Vormen die de sneeuw
in de weg staan
een eerste indruk

CIX
Mijn moeder geprikt
de stoel stond klaar
een pak van mijn hart

CVIII
De tulp strekt zich uit
lui, los, loom als
een kat op haar rug

CVII
Herinneringen
mijn woordenboek
voor stille dagen

CVI
Als een specht tikt ze,
niet aflatend
op het raam. Regen

CV
Zwerf door gedachten,
kijk naar stilte
schrijven is vrijheid

CIV
Zeg het hardop, uit
de grond van je
hart, maak een begin

CIII
Schaapherders balen
van wandelaars,
die kuddedieren

CII
Ruiten zijn breekbaar
zoals geduld,
moed, waarheid, vrede

CI
Kruispunten wekken
verlangen op,
omkeren, afslaan

C
De mens broedt het uit
baant zich een weg
Hollandse natuur

XCIX
Avondwandeling
na negen uur
nog geen hond te zien

XCVIII
Een half uur erbij
wat moeten we
zonder de Kamer?

XCVII
We halen adem
eed, song, gedicht
Waarheid is woorden

XCVI
Stel je voor, een bel,
haast je van straat
Ieder – zonder hond

XCV
De kippen op stok
deskundigen
van de avond klok

XCIV
De zon neemt afscheid
het strand spoelt leeg
een bal rolt in zee

XCIII
Zijn woorden spoelen
hersens leeg,
make them great again

XCII
Niet dat het vriest, of
de winter wacht.
Einde van het jaar

XCI
De kerstdis van de
intervisie
Foto’s, een glimlach

XC
Wachten op de prik
streep op de muur
adem inhouden

LXXXIX
Op straat, vrijdagnacht,
etalages,
stille beloftes

LXXXVIII
Een maandje op slot
water en brood,
en ander voorrecht

LXXXVII
Essentiële
boodschap, hoor en
bespeel de ruimte

LXXXVI
Een plastic tas waait
door onze straat
Maandag, december

LXXXV
De straten stromen
vol, de lock down
aan de horizon

LXXXIV
Zijn foto is er,
onze woorden
we nemen afscheid

LXXXIII
Meesterlijk kon hij
zwijgen, elk woord
een blad in de wind

LXXXII
Herinneringen
Je maakt het mee
Nu blijkt het dierbaar

LXXXI
Hij ging met de wind:
tevreden, zijn.
Het gras hier is groen

LXXX
Een rood adresboek
Foto’s zwart wit
Een scheidsrechtersfluit

LXXIX
Als het leven stopt,
zoeken woorden
je afdruk in ons

LXXVIII
Een zucht, de laatste
vredige punt,
rust in je verhaal

Dick van den Berg
12 okt 1930 – 1 december 2020

LXXVII
Eerst verdwijnt ruimte
uit het leven
dan vergaat de tijd
(Voor Dick)

LXXVI
Voorwaarde om thuis
te komen, is
onderweg te zijn

LXXV
Het is schier te geef,
zwarte vrijdag,
Covid uitverkoop

LXXIV
Zaterdag Artis
De mensaap heeft
iets beters te doen

LXXIII
Het archief staat in
de Vijzelstraat
Is niet te missen

LXXIII
De bel, een pakket
een mens gezien
nat van de regen

LXXI
Je geboortedag
Zesentwintig
We koesteren je

LXX
Je werpt een schaduw
die afstand neemt
als de avond valt

LXIX
Ik ga naar mijn werk,
trappetje af,
ontbijt aan de kant

LXVIII
Fuji, Kyoto
een prent, foto’s,
is het echt gebeurd?

LXVII
Archiefonderzoek
verstoppertje
in ruimte en tijd

LXVI
Mijn grootvaders naam
geschreven in
jaar negentien twee

LXV
Dagje beeldbellen
ontmoetingen
met negen vakjes

LXIV
Het Blauwe Theehuis,
raap op de stoep
je loof en koffie

LXIII
Niets is wat het lijkt
Een grote troost
Als alles stil staat

LXII
Zijn knieën geknikt
een kop koffie
man schuifelt op straat

LXI
Het regent vandaag
pijpenstelen
De boom verliest kleur

LX
Een gokje wagen,
besmettelijk?
Het casino zwijgt

LIX
Stil op de A2
het asfalt kerft
een kras in de wei

LVIII
Presidenten gaan
Praatjes blijven
Een wolk drijft voorbij

LVII
Openbaar vervoer
De boot stopte
niet bij de halte

LVI
Niets voorgevallen
wassen, eten
Blad versiert stilte

LV
De vroege morgen,
huizen vangen
kleur op de wangen

LIV
Verandering is…
dat de vos haar
prooi de zege gunt

LIII
De expositie
heeft de deuren
zojuist weer geopend

LII
Belmont heet de lamp
van de tandarts
Buiten zont de herfst

LI
Bij de brug kunnen
we afspreken,
ommetje vliegen?

I – L. 20 maart – 19 mei 2020

L
Het is niet voorbij
vijftig haiku’s
zijn mijn laatste woord

XLIX
Willig besmet zijn
veertig mensen,
vrij en onverveerd

XLVIII
Economie krimpt,
taal groeit per dag:
zie hier gelaatscherm

XLVII
Terrasje pikken
mensen kijken
ogen naar je ziel

XLVI
Kansen te over
de Arena
als stiltecentrum?

XLV
Lang zal het duren
en af en toe
stuift een haiku op

XLIV
Altijd op gehoopt
ook voetbal blijkt
een evenement

XLIII
Controlefase,
overgangsfase,
kies ook een fase!

Op straat wel ieder
van fase
hartelijk gegroet?

XLII
Het raam toont mijn film:
een nieuwe dag.
De wind gaat liggen

XLI
Crimineel vannacht
geliquideerd
Mokum pakt draad op

XL
Exitstrategie,
touwtjes vieren
baasjes uit laten

XXXIX
Virus: de boodschap?
Ruimte, natuur,
minderen, samen

XXXVIII
Eindelijk zicht voor
BN-ers op
anonimiteit

XXXVII
Elke dag zondag
de winkels dicht
vader snijdt geen vlees

XXXVI
Primeur Koningsdag:
dit jaar hopen
we niet op regen

XXXV
Ajax kampioen
in deze tijd
een zekerheidje

XXXIV
Consuminderen
was maar een woord
smaakt het doen naar meer?

XXXIII
De zon lokt ons mee
een passant zegt:
‘We spelen mooi weer’

XXXII
Bedrijf zoekt talent:
bent u mensschuw?
Smetvrees, schermverslaving?

XXXI
Het ís overdraagbaar:
hoop, toewijding
liefde, vertrouwen

XXX
Rutte komt, hoe laat?
vrees, verlangen
naar papa’s woorden

“Prille begin van
de weg terug”,
dwalend door jungle…

… sidderend vangen
we de boodschap
een kat of kado?

XXIX
Kluizenaar zijn we,
holbewoner,
schuilend voor mensen

XXVIII
Een vleermuis of lab?
Complotdenkers’
hebben een speeltje

XXVII
Corona krediet
wie krijgt het niet?
Voor wie het kunst is

XXVI
Eén punt vijf meter
samenleving
past in een haiku

XXV
Op TV zie ik
handen schudden
Rare gewoonten

XXIV
De jonge Rutte
probeert een Geen-
Nieuws-conferentie

XXIII
“Grote Afsluiting”,
Besmette tijd,
je bent gebrandmerkt

XXII
De appelboom smacht:
Mag de bij mijn
bloesem omhelzen?

XXI
Kom-niet-te-dichtbij-
economie:
Stop tutoyeren

XX
‘Verdachte ontsnapt’,
zeggen kranten.
Wie van ons allen?

XIX
Stucen en schuren,
Soezen, schrijven,
Zien, zinnen en zijn

XVIII
Het nieuwe normaal
ontsproten in
abnormaliteit

XVII
Beeldbellen, het werkt
niet alleen, het woord
deugt en is, beeld schoon

XVI
Fluitende vogels
zoeven “s ochtends
op lege wegen

XV
Een app aan je lijf,
de overheid schenkt
ons een Grote Broer

XIV
Corona-lente
omhelzingen
van mijn bloemetjes

XIII
Poëzie, de pijl
die ik schiet in
zelf-isolatie

XII
Persconferenties,
onderdanen
halen boodschappen

XI
Kus de barista
deze keer maar niet.
Nieuwe routines

X
Coronacrisis,
buiten snacken
koude lentewind

IX
Zonder touw op twee
bergen klimmen,
dat is winkelen

VIII
Anderhalf meter
woorden houden
gepaste afstand

VII
Buiten maakt de boom
kleine blaadjes
Het is een begin

VI
In witte huizen
werken helden
en éen dikdoener

V
Zachte lentedag,
verrukkelijk.
Om naar te kijken

IV
Hoe gaat het met je?,
schrijf ik in apps,
mails, hoofd, hart en hier

III
Vandaag het virus
uitgelaten
met and’re baasjes

II
Soo sjel distan sing
het Nederlands
in quarantaine

I
Onbestemde tijd,
alles is nieuw
Tolken werken thuis

Ondertussen, 1 april 2021

CXXIII
Zoeken naar woorden,
stapvoets, de strijd
om te verbeelden

CXXII
Het zand, duin, de wind
vorm in ruimte
niets is wat het lijkt

CXXI
Ze verjaart, misschien
maakt haar ziel een
dansje, daar, ginds, vrij

CXX
Herman van Veen sprak,
zijn reden om
op te staan: morgen

CXIX
Het waait, een man buigt
naar de regen
Stilte in mijn hoofd

CXVIII
Droomhuis of bouwval
de verbeelding
heeft het laatste woord

CXVII
Op het strand beeld en
woord gevonden
het is een haiku

CXVI
Rutte? Niet gezien
door de haren
voor beide ogen

CXV
De ene voet voor
de andere
Geheim van leven

CXIV
Schuilplaats voor de dooi,
het ijs feest aan
de voet van de dijk

CXIII
Lijk in de branding
Zee ruist een lied
Dooi verteert de sneeuw

CXII
Op de plas stilt men
alle noden
Ik kijk naar ijspret

CXI
Eindelijk, het weer
past zich aan, thuis,
bleek, langzaam, uitval

CX
Vormen die de sneeuw
in de weg staan
een eerste indruk

CIX
Mijn moeder geprikt
de stoel stond klaar
een pak van mijn hart

CVIII
De tulp strekt zich uit
lui, los, loom als
een kat op haar rug

CVII
Herinneringen
mijn woordenboek
voor stille dagen

CVI
Als een specht tikt ze,
niet aflatend
op het raam. Regen

CV
Zwerf door gedachten,
kijk naar stilte
schrijven is vrijheid

CIV
Zeg het hardop, uit
de grond van je
hart, maak een begin

CIII
Schaapherders balen
van wandelaars,
die kuddedieren

CII
Ruiten zijn breekbaar
zoals geduld,
moed, waarheid, vrede

CI
Kruispunten wekken
verlangen op,
omkeren, afslaan

C
De mens broedt het uit
baant zich een weg
Hollandse natuur

XCIX
Avondwandeling
na negen uur
nog geen hond te zien

XCVIII
Een half uur erbij
wat moeten we
zonder de Kamer?

XCVII
We halen adem
eed, song, gedicht
Waarheid is woorden

XCVI
Stel je voor, een bel,
haast je van straat
Ieder – zonder hond

XCV
De kippen op stok
deskundigen
van de avond klok

XCIV
De zon neemt afscheid
het strand spoelt leeg
een bal rolt in zee

XCIII
Zijn woorden spoelen
hersens leeg,
make them great again

XCII
Niet dat het vriest, of
de winter wacht.
Einde van het jaar

XCI
De kerstdis van de
intervisie
Foto’s, een glimlach

XC
Wachten op de prik
streep op de muur
adem inhouden

LXXXIX
Op straat, vrijdagnacht,
etalages,
stille beloftes

LXXXVIII
Een maandje op slot
water en brood,
en ander voorrecht

LXXXVII
Essentiële
boodschap, hoor en
bespeel de ruimte

LXXXVI
Een plastic tas waait
door onze straat
Maandag, december

LXXXV
De straten stromen
vol, de lock down
aan de horizon

LXXXIV
Zijn foto is er,
onze woorden
we nemen afscheid

LXXXIII
Meesterlijk kon hij
zwijgen, elk woord
een blad in de wind

LXXXII
Herinneringen
Je maakt het mee
Nu blijkt het dierbaar

LXXXI
Hij ging met de wind:
tevreden, zijn.
Het gras hier is groen

LXXX
Een rood adresboek
Foto’s zwart wit
Een scheidsrechtersfluit

LXXIX
Als het leven stopt,
zoeken woorden
je afdruk in ons

LXXVIII
Een zucht, de laatste
vredige punt,
rust in je verhaal

Dick van den Berg
12 okt 1930 – 1 december 2020

LXXVII
Eerst verdwijnt ruimte
uit het leven
dan vergaat de tijd
(Voor Dick)

LXXVI
Voorwaarde om thuis
te komen, is
onderweg te zijn

LXXV
Het is schier te geef,
zwarte vrijdag,
Covid uitverkoop

LXXIV
Zaterdag Artis
De mensaap heeft
iets beters te doen

LXXIII
Het archief staat in
de Vijzelstraat
Is niet te missen

LXXIII
De bel, een pakket
een mens gezien
nat van de regen

LXXI
Je geboortedag
Zesentwintig
We koesteren je

LXX
Je werpt een schaduw
die afstand neemt
als de avond valt

LXIX
Ik ga naar mijn werk,
trappetje af,
ontbijt aan de kant

LXVIII
Fuji, Kyoto
een prent, foto’s,
is het echt gebeurd?

LXVII
Archiefonderzoek
verstoppertje
in ruimte en tijd

LXVI
Mijn grootvaders naam
geschreven in
jaar negentien twee

LXV
Dagje beeldbellen
ontmoetingen
met negen vakjes

LXIV
Het Blauwe Theehuis,
raap op de stoep
je loof en koffie

LXIII
Niets is wat het lijkt
Een grote troost
Als alles stil staat

LXII
Zijn knieën geknikt
een kop koffie
man schuifelt op straat

LXI
Het regent vandaag
pijpenstelen
De boom verliest kleur

LX
Een gokje wagen,
besmettelijk?
Het casino zwijgt

LIX
Stil op de A2
het asfalt kerft
een kras in de wei

LVIII
Presidenten gaan
Praatjes blijven
Een wolk drijft voorbij

LVII
Openbaar vervoer
De boot stopte
niet bij de halte

LVI
Niets voorgevallen
wassen, eten
Blad versiert stilte

LV
De vroege morgen,
huizen vangen
kleur op de wangen

LIV
Verandering is…
dat de vos haar
prooi de zege gunt

LIII
De expositie
heeft de deuren
zojuist weer geopend

LII
Belmont heet de lamp
van de tandarts
Buiten zont de herfst

LI
Bij de brug kunnen
we afspreken,
ommetje vliegen?

I – L. 20 maart – 19 mei 2020

L
Het is niet voorbij
vijftig haiku’s
zijn mijn laatste woord

XLIX
Willig besmet zijn
veertig mensen,
vrij en onverveerd

XLVIII
Economie krimpt,
taal groeit per dag:
zie hier gelaatscherm

XLVII
Terrasje pikken
mensen kijken
ogen naar je ziel

XLVI
Kansen te over
de Arena
als stiltecentrum?

XLV
Lang zal het duren
en af en toe
stuift een haiku op

XLIV
Altijd op gehoopt
ook voetbal blijkt
een evenement

XLIII
Controlefase,
overgangsfase,
kies ook een fase!

Op straat wel ieder
van fase
hartelijk gegroet?

XLII
Het raam toont mijn film:
een nieuwe dag.
De wind gaat liggen

XLI
Crimineel vannacht
geliquideerd
Mokum pakt draad op

XL
Exitstrategie,
touwtjes vieren
baasjes uit laten

XXXIX
Virus: de boodschap?
Ruimte, natuur,
minderen, samen

XXXVIII
Eindelijk zicht voor
BN-ers op
anonimiteit

XXXVII
Elke dag zondag
de winkels dicht
vader snijdt geen vlees

XXXVI
Primeur Koningsdag:
dit jaar hopen
we niet op regen

XXXV
Ajax kampioen
in deze tijd
een zekerheidje

XXXIV
Consuminderen
was maar een woord
smaakt het doen naar meer?

XXXIII
De zon lokt ons mee
een passant zegt:
‘We spelen mooi weer’

XXXII
Bedrijf zoekt talent:
bent u mensschuw?
Smetvrees, schermverslaving?

XXXI
Het ís overdraagbaar:
hoop, toewijding
liefde, vertrouwen

XXX
Rutte komt, hoe laat?
vrees, verlangen
naar papa’s woorden

“Prille begin van
de weg terug”,
dwalend door jungle…

… sidderend vangen
we de boodschap
een kat of kado?

XXIX
Kluizenaar zijn we,
holbewoner,
schuilend voor mensen

XXVIII
Een vleermuis of lab?
Complotdenkers’
hebben een speeltje

XXVII
Corona krediet
wie krijgt het niet?
Voor wie het kunst is

XXVI
Eén punt vijf meter
samenleving
past in een haiku

XXV
Op TV zie ik
handen schudden
Rare gewoonten

XXIV
De jonge Rutte
probeert een Geen-
Nieuws-conferentie

XXIII
“Grote Afsluiting”,
Besmette tijd,
je bent gebrandmerkt

XXII
De appelboom smacht:
Mag de bij mijn
bloesem omhelzen?

XXI
Kom-niet-te-dichtbij-
economie:
Stop tutoyeren

XX
‘Verdachte ontsnapt’,
zeggen kranten.
Wie van ons allen?

XIX
Stucen en schuren,
Soezen, schrijven,
Zien, zinnen en zijn

XVIII
Het nieuwe normaal
ontsproten in
abnormaliteit

XVII
Beeldbellen, het werkt
niet alleen, het woord
deugt en is, beeld schoon

XVI
Fluitende vogels
zoeven “s ochtends
op lege wegen

XV
Een app aan je lijf,
de overheid schenkt
ons een Grote Broer

XIV
Corona-lente
omhelzingen
van mijn bloemetjes

XIII
Poëzie, de pijl
die ik schiet in
zelf-isolatie

XII
Persconferenties,
onderdanen
halen boodschappen

XI
Kus de barista
deze keer maar niet.
Nieuwe routines

X
Coronacrisis,
buiten snacken
koude lentewind

IX
Zonder touw op twee
bergen klimmen,
dat is winkelen

VIII
Anderhalf meter
woorden houden
gepaste afstand

VII
Buiten maakt de boom
kleine blaadjes
Het is een begin

VI
In witte huizen
werken helden
en éen dikdoener

V
Zachte lentedag,
verrukkelijk.
Om naar te kijken

IV
Hoe gaat het met je?,
schrijf ik in apps,
mails, hoofd, hart en hier

III
Vandaag het virus
uitgelaten
met and’re baasjes

II
Soo sjel distan sing
het Nederlands
in quarantaine

I
Onbestemde tijd,
alles is nieuw
Tolken werken thuis

Ondertussen, 28 maart 2021

CXXII
Het zand, duin, de wind
vorm in ruimte
niets is wat het lijkt

CXXI
Ze verjaart, misschien
maakt haar ziel een
dansje, daar, ginds, vrij

CXX
Herman van Veen sprak,
zijn reden om
op te staan: morgen

CXIX
Het waait, een man buigt
naar de regen
Stilte in mijn hoofd

CXVIII
Droomhuis of bouwval
de verbeelding
heeft het laatste woord

CXVII
Op het strand beeld en
woord gevonden
het is een haiku

CXVI
Rutte? Niet gezien
door de haren
voor beide ogen

CXV
De ene voet voor
de andere
Geheim van leven

CXIV
Schuilplaats voor de dooi,
het ijs feest aan
de voet van de dijk

CXIII
Lijk in de branding
Zee ruist een lied
Dooi verteert de sneeuw

CXII
Op de plas stilt men
alle noden
Ik kijk naar ijspret

CXI
Eindelijk, het weer
past zich aan, thuis,
bleek, langzaam, uitval

CX
Vormen die de sneeuw
in de weg staan
een eerste indruk

CIX
Mijn moeder geprikt
de stoel stond klaar
een pak van mijn hart

CVIII
De tulp strekt zich uit
lui, los, loom als
een kat op haar rug

CVII
Herinneringen
mijn woordenboek
voor stille dagen

CVI
Als een specht tikt ze,
niet aflatend
op het raam. Regen

CV
Zwerf door gedachten,
kijk naar stilte
schrijven is vrijheid

CIV
Zeg het hardop, uit
de grond van je
hart, maak een begin

CIII
Schaapherders balen
van wandelaars,
die kuddedieren

CII
Ruiten zijn breekbaar
zoals geduld,
moed, waarheid, vrede

CI
Kruispunten wekken
verlangen op,
omkeren, afslaan

C
De mens broedt het uit
baant zich een weg
Hollandse natuur

XCIX
Avondwandeling
na negen uur
nog geen hond te zien

XCVIII
Een half uur erbij
wat moeten we
zonder de Kamer?

XCVII
We halen adem
eed, song, gedicht
Waarheid is woorden

XCVI
Stel je voor, een bel,
haast je van straat
Ieder – zonder hond

XCV
De kippen op stok
deskundigen
van de avond klok

XCIV
De zon neemt afscheid
het strand spoelt leeg
een bal rolt in zee

XCIII
Zijn woorden spoelen
hersens leeg,
make them great again

XCII
Niet dat het vriest, of
de winter wacht.
Einde van het jaar

XCI
De kerstdis van de
intervisie
Foto’s, een glimlach

XC
Wachten op de prik
streep op de muur
adem inhouden

LXXXIX
Op straat, vrijdagnacht,
etalages,
stille beloftes

LXXXVIII
Een maandje op slot
water en brood,
en ander voorrecht

LXXXVII
Essentiële
boodschap, hoor en
bespeel de ruimte

LXXXVI
Een plastic tas waait
door onze straat
Maandag, december

LXXXV
De straten stromen
vol, de lock down
aan de horizon

LXXXIV
Zijn foto is er,
onze woorden
we nemen afscheid

LXXXIII
Meesterlijk kon hij
zwijgen, elk woord
een blad in de wind

LXXXII
Herinneringen
Je maakt het mee
Nu blijkt het dierbaar

LXXXI
Hij ging met de wind:
tevreden, zijn.
Het gras hier is groen

LXXX
Een rood adresboek
Foto’s zwart wit
Een scheidsrechtersfluit

LXXIX
Als het leven stopt,
zoeken woorden
je afdruk in ons

LXXVIII
Een zucht, de laatste
vredige punt,
rust in je verhaal

Dick van den Berg
12 okt 1930 – 1 december 2020

LXXVII
Eerst verdwijnt ruimte
uit het leven
dan vergaat de tijd
(Voor Dick)

LXXVI
Voorwaarde om thuis
te komen, is
onderweg te zijn

LXXV
Het is schier te geef,
zwarte vrijdag,
Covid uitverkoop

LXXIV
Zaterdag Artis
De mensaap heeft
iets beters te doen

LXXIII
Het archief staat in
de Vijzelstraat
Is niet te missen

LXXIII
De bel, een pakket
een mens gezien
nat van de regen

LXXI
Je geboortedag
Zesentwintig
We koesteren je

LXX
Je werpt een schaduw
die afstand neemt
als de avond valt

LXIX
Ik ga naar mijn werk,
trappetje af,
ontbijt aan de kant

LXVIII
Fuji, Kyoto
een prent, foto’s,
is het echt gebeurd?

LXVII
Archiefonderzoek
verstoppertje
in ruimte en tijd

LXVI
Mijn grootvaders naam
geschreven in
jaar negentien twee

LXV
Dagje beeldbellen
ontmoetingen
met negen vakjes

LXIV
Het Blauwe Theehuis,
raap op de stoep
je loof en koffie

LXIII
Niets is wat het lijkt
Een grote troost
Als alles stil staat

LXII
Zijn knieën geknikt
een kop koffie
man schuifelt op straat

LXI
Het regent vandaag
pijpenstelen
De boom verliest kleur

LX
Een gokje wagen,
besmettelijk?
Het casino zwijgt

LIX
Stil op de A2
het asfalt kerft
een kras in de wei

LVIII
Presidenten gaan
Praatjes blijven
Een wolk drijft voorbij

LVII
Openbaar vervoer
De boot stopte
niet bij de halte

LVI
Niets voorgevallen
wassen, eten
Blad versiert stilte

LV
De vroege morgen,
huizen vangen
kleur op de wangen

LIV
Verandering is…
dat de vos haar
prooi de zege gunt

LIII
De expositie
heeft de deuren
zojuist weer geopend

LII
Belmont heet de lamp
van de tandarts
Buiten zont de herfst

LI
Bij de brug kunnen
we afspreken,
ommetje vliegen?

I – L. 20 maart – 19 mei 2020

L
Het is niet voorbij
vijftig haiku’s
zijn mijn laatste woord

XLIX
Willig besmet zijn
veertig mensen,
vrij en onverveerd

XLVIII
Economie krimpt,
taal groeit per dag:
zie hier gelaatscherm

XLVII
Terrasje pikken
mensen kijken
ogen naar je ziel

XLVI
Kansen te over
de Arena
als stiltecentrum?

XLV
Lang zal het duren
en af en toe
stuift een haiku op

XLIV
Altijd op gehoopt
ook voetbal blijkt
een evenement

XLIII
Controlefase,
overgangsfase,
kies ook een fase!

Op straat wel ieder
van fase
hartelijk gegroet?

XLII
Het raam toont mijn film:
een nieuwe dag.
De wind gaat liggen

XLI
Crimineel vannacht
geliquideerd
Mokum pakt draad op

XL
Exitstrategie,
touwtjes vieren
baasjes uit laten

XXXIX
Virus: de boodschap?
Ruimte, natuur,
minderen, samen

XXXVIII
Eindelijk zicht voor
BN-ers op
anonimiteit

XXXVII
Elke dag zondag
de winkels dicht
vader snijdt geen vlees

XXXVI
Primeur Koningsdag:
dit jaar hopen
we niet op regen

XXXV
Ajax kampioen
in deze tijd
een zekerheidje

XXXIV
Consuminderen
was maar een woord
smaakt het doen naar meer?

XXXIII
De zon lokt ons mee
een passant zegt:
‘We spelen mooi weer’

XXXII
Bedrijf zoekt talent:
bent u mensschuw?
Smetvrees, schermverslaving?

XXXI
Het ís overdraagbaar:
hoop, toewijding
liefde, vertrouwen

XXX
Rutte komt, hoe laat?
vrees, verlangen
naar papa’s woorden

“Prille begin van
de weg terug”,
dwalend door jungle…

… sidderend vangen
we de boodschap
een kat of kado?

XXIX
Kluizenaar zijn we,
holbewoner,
schuilend voor mensen

XXVIII
Een vleermuis of lab?
Complotdenkers’
hebben een speeltje

XXVII
Corona krediet
wie krijgt het niet?
Voor wie het kunst is

XXVI
Eén punt vijf meter
samenleving
past in een haiku

XXV
Op TV zie ik
handen schudden
Rare gewoonten

XXIV
De jonge Rutte
probeert een Geen-
Nieuws-conferentie

XXIII
“Grote Afsluiting”,
Besmette tijd,
je bent gebrandmerkt

XXII
De appelboom smacht:
Mag de bij mijn
bloesem omhelzen?

XXI
Kom-niet-te-dichtbij-
economie:
Stop tutoyeren

XX
‘Verdachte ontsnapt’,
zeggen kranten.
Wie van ons allen?

XIX
Stucen en schuren,
Soezen, schrijven,
Zien, zinnen en zijn

XVIII
Het nieuwe normaal
ontsproten in
abnormaliteit

XVII
Beeldbellen, het werkt
niet alleen, het woord
deugt en is, beeld schoon

XVI
Fluitende vogels
zoeven “s ochtends
op lege wegen

XV
Een app aan je lijf,
de overheid schenkt
ons een Grote Broer

XIV
Corona-lente
omhelzingen
van mijn bloemetjes

XIII
Poëzie, de pijl
die ik schiet in
zelf-isolatie

XII
Persconferenties,
onderdanen
halen boodschappen

XI
Kus de barista
deze keer maar niet.
Nieuwe routines

X
Coronacrisis,
buiten snacken
koude lentewind

IX
Zonder touw op twee
bergen klimmen,
dat is winkelen

VIII
Anderhalf meter
woorden houden
gepaste afstand

VII
Buiten maakt de boom
kleine blaadjes
Het is een begin

VI
In witte huizen
werken helden
en éen dikdoener

V
Zachte lentedag,
verrukkelijk.
Om naar te kijken

IV
Hoe gaat het met je?,
schrijf ik in apps,
mails, hoofd, hart en hier

III
Vandaag het virus
uitgelaten
met and’re baasjes

II
Soo sjel distan sing
het Nederlands
in quarantaine

I
Onbestemde tijd,
alles is nieuw
Tolken werken thuis

Ondertussen 23 maart 2021

CXXI
Ze verjaart, misschien
maakt haar ziel een
dansje, daar, ginds, vrij

CXX
Herman van Veen sprak,
zijn reden om
op te staan: morgen

CXIX
Het waait, een man buigt
naar de regen
Stilte in mijn hoofd

CXVIII
Droomhuis of bouwval
de verbeelding
heeft het laatste woord

CXVII
Op het strand beeld en
woord gevonden
het is een haiku

CXVI
Rutte? Niet gezien
door de haren
voor beide ogen

CXV
De ene voet voor
de andere
Geheim van leven

CXIV
Schuilplaats voor de dooi,
het ijs feest aan
de voet van de dijk

CXIII
Lijk in de branding
Zee ruist een lied
Dooi verteert de sneeuw

CXII
Op de plas stilt men
alle noden
Ik kijk naar ijspret

CXI
Eindelijk, het weer
past zich aan, thuis,
bleek, langzaam, uitval

CX
Vormen die de sneeuw
in de weg staan
een eerste indruk

CIX
Mijn moeder geprikt
de stoel stond klaar
een pak van mijn hart

CVIII
De tulp strekt zich uit
lui, los, loom als
een kat op haar rug

CVII
Herinneringen
mijn woordenboek
voor stille dagen

CVI
Als een specht tikt ze,
niet aflatend
op het raam. Regen

CV
Zwerf door gedachten,
kijk naar stilte
schrijven is vrijheid

CIV
Zeg het hardop, uit
de grond van je
hart, maak een begin

CIII
Schaapherders balen
van wandelaars,
die kuddedieren

CII
Ruiten zijn breekbaar
zoals geduld,
moed, waarheid, vrede

CI
Kruispunten wekken
verlangen op,
omkeren, afslaan

C
De mens broedt het uit
baant zich een weg
Hollandse natuur

XCIX
Avondwandeling
na negen uur
nog geen hond te zien

XCVIII
Een half uur erbij
wat moeten we
zonder de Kamer?

XCVII
We halen adem
eed, song, gedicht
Waarheid is woorden

XCVI
Stel je voor, een bel,
haast je van straat
Ieder – zonder hond

XCV
De kippen op stok
deskundigen
van de avond klok

XCIV
De zon neemt afscheid
het strand spoelt leeg
een bal rolt in zee

XCIII
Zijn woorden spoelen
hersens leeg,
make them great again

XCII
Niet dat het vriest, of
de winter wacht.
Einde van het jaar

XCI
De kerstdis van de
intervisie
Foto’s, een glimlach

XC
Wachten op de prik
streep op de muur
adem inhouden

LXXXIX
Op straat, vrijdagnacht,
etalages,
stille beloftes

LXXXVIII
Een maandje op slot
water en brood,
en ander voorrecht

LXXXVII
Essentiële
boodschap, hoor en
bespeel de ruimte

LXXXVI
Een plastic tas waait
door onze straat
Maandag, december

LXXXV
De straten stromen
vol, de lock down
aan de horizon

LXXXIV
Zijn foto is er,
onze woorden
we nemen afscheid

LXXXIII
Meesterlijk kon hij
zwijgen, elk woord
een blad in de wind

LXXXII
Herinneringen
Je maakt het mee
Nu blijkt het dierbaar

LXXXI
Hij ging met de wind:
tevreden, zijn.
Het gras hier is groen

LXXX
Een rood adresboek
Foto’s zwart wit
Een scheidsrechtersfluit

LXXIX
Als het leven stopt,
zoeken woorden
je afdruk in ons

LXXVIII
Een zucht, de laatste
vredige punt,
rust in je verhaal

Dick van den Berg
12 okt 1930 – 1 december 2020

LXXVII
Eerst verdwijnt ruimte
uit het leven
dan vergaat de tijd
(Voor Dick)

LXXVI
Voorwaarde om thuis
te komen, is
onderweg te zijn

LXXV
Het is schier te geef,
zwarte vrijdag,
Covid uitverkoop

LXXIV
Zaterdag Artis
De mensaap heeft
iets beters te doen

LXXIII
Het archief staat in
de Vijzelstraat
Is niet te missen

LXXIII
De bel, een pakket
een mens gezien
nat van de regen

LXXI
Je geboortedag
Zesentwintig
We koesteren je

LXX
Je werpt een schaduw
die afstand neemt
als de avond valt

LXIX
Ik ga naar mijn werk,
trappetje af,
ontbijt aan de kant

LXVIII
Fuji, Kyoto
een prent, foto’s,
is het echt gebeurd?

LXVII
Archiefonderzoek
verstoppertje
in ruimte en tijd

LXVI
Mijn grootvaders naam
geschreven in
jaar negentien twee

LXV
Dagje beeldbellen
ontmoetingen
met negen vakjes

LXIV
Het Blauwe Theehuis,
raap op de stoep
je loof en koffie

LXIII
Niets is wat het lijkt
Een grote troost
Als alles stil staat

LXII
Zijn knieën geknikt
een kop koffie
man schuifelt op straat

LXI
Het regent vandaag
pijpenstelen
De boom verliest kleur

LX
Een gokje wagen,
besmettelijk?
Het casino zwijgt

LIX
Stil op de A2
het asfalt kerft
een kras in de wei

LVIII
Presidenten gaan
Praatjes blijven
Een wolk drijft voorbij

LVII
Openbaar vervoer
De boot stopte
niet bij de halte

LVI
Niets voorgevallen
wassen, eten
Blad versiert stilte

LV
De vroege morgen,
huizen vangen
kleur op de wangen

LIV
Verandering is…
dat de vos haar
prooi de zege gunt

LIII
De expositie
heeft de deuren
zojuist weer geopend

LII
Belmont heet de lamp
van de tandarts
Buiten zont de herfst

LI
Bij de brug kunnen
we afspreken,
ommetje vliegen?

I – L. 20 maart – 19 mei 2020

L
Het is niet voorbij
vijftig haiku’s
zijn mijn laatste woord

XLIX
Willig besmet zijn
veertig mensen,
vrij en onverveerd

XLVIII
Economie krimpt,
taal groeit per dag:
zie hier gelaatscherm

XLVII
Terrasje pikken
mensen kijken
ogen naar je ziel

XLVI
Kansen te over
de Arena
als stiltecentrum?

XLV
Lang zal het duren
en af en toe
stuift een haiku op

XLIV
Altijd op gehoopt
ook voetbal blijkt
een evenement

XLIII
Controlefase,
overgangsfase,
kies ook een fase!

Op straat wel ieder
van fase
hartelijk gegroet?

XLII
Het raam toont mijn film:
een nieuwe dag.
De wind gaat liggen

XLI
Crimineel vannacht
geliquideerd
Mokum pakt draad op

XL
Exitstrategie,
touwtjes vieren
baasjes uit laten

XXXIX
Virus: de boodschap?
Ruimte, natuur,
minderen, samen

XXXVIII
Eindelijk zicht voor
BN-ers op
anonimiteit

XXXVII
Elke dag zondag
de winkels dicht
vader snijdt geen vlees

XXXVI
Primeur Koningsdag:
dit jaar hopen
we niet op regen

XXXV
Ajax kampioen
in deze tijd
een zekerheidje

XXXIV
Consuminderen
was maar een woord
smaakt het doen naar meer?

XXXIII
De zon lokt ons mee
een passant zegt:
‘We spelen mooi weer’

XXXII
Bedrijf zoekt talent:
bent u mensschuw?
Smetvrees, schermverslaving?

XXXI
Het ís overdraagbaar:
hoop, toewijding
liefde, vertrouwen

XXX
Rutte komt, hoe laat?
vrees, verlangen
naar papa’s woorden

“Prille begin van
de weg terug”,
dwalend door jungle…

… sidderend vangen
we de boodschap
een kat of kado?

XXIX
Kluizenaar zijn we,
holbewoner,
schuilend voor mensen

XXVIII
Een vleermuis of lab?
Complotdenkers’
hebben een speeltje

XXVII
Corona krediet
wie krijgt het niet?
Voor wie het kunst is

XXVI
Eén punt vijf meter
samenleving
past in een haiku

XXV
Op TV zie ik
handen schudden
Rare gewoonten

XXIV
De jonge Rutte
probeert een Geen-
Nieuws-conferentie

XXIII
“Grote Afsluiting”,
Besmette tijd,
je bent gebrandmerkt

XXII
De appelboom smacht:
Mag de bij mijn
bloesem omhelzen?

XXI
Kom-niet-te-dichtbij-
economie:
Stop tutoyeren

XX
‘Verdachte ontsnapt’,
zeggen kranten.
Wie van ons allen?

XIX
Stucen en schuren,
Soezen, schrijven,
Zien, zinnen en zijn

XVIII
Het nieuwe normaal
ontsproten in
abnormaliteit

XVII
Beeldbellen, het werkt
niet alleen, het woord
deugt en is, beeld schoon

XVI
Fluitende vogels
zoeven “s ochtends
op lege wegen

XV
Een app aan je lijf,
de overheid schenkt
ons een Grote Broer

XIV
Corona-lente
omhelzingen
van mijn bloemetjes

XIII
Poëzie, de pijl
die ik schiet in
zelf-isolatie

XII
Persconferenties,
onderdanen
halen boodschappen

XI
Kus de barista
deze keer maar niet.
Nieuwe routines

X
Coronacrisis,
buiten snacken
koude lentewind

IX
Zonder touw op twee
bergen klimmen,
dat is winkelen

VIII
Anderhalf meter
woorden houden
gepaste afstand

VII
Buiten maakt de boom
kleine blaadjes
Het is een begin

VI
In witte huizen
werken helden
en éen dikdoener

V
Zachte lentedag,
verrukkelijk.
Om naar te kijken

IV
Hoe gaat het met je?,
schrijf ik in apps,
mails, hoofd, hart en hier

III
Vandaag het virus
uitgelaten
met and’re baasjes

II
Soo sjel distan sing
het Nederlands
in quarantaine

I
Onbestemde tijd,
alles is nieuw
Tolken werken thuis

Ondertussen 20 maart 2021

CXX
Herman van Veen sprak,
zijn reden om
op te staan: morgen

CXIX
Het waait, een man buigt
naar de regen
Stilte in mijn hoofd

CXVIII
Droomhuis of bouwval
de verbeelding
heeft het laatste woord

CXVII
Op het strand beeld en
woord gevonden
het is een haiku

CXVI
Rutte? Niet gezien
door de haren
voor beide ogen

CXV
De ene voet voor
de andere
Geheim van leven

CXIV
Schuilplaats voor de dooi,
het ijs feest aan
de voet van de dijk

CXIII
Lijk in de branding
Zee ruist een lied
Dooi verteert de sneeuw

CXII
Op de plas stilt men
alle noden
Ik kijk naar ijspret

CXI
Eindelijk, het weer
past zich aan, thuis,
bleek, langzaam, uitval

CX
Vormen die de sneeuw
in de weg staan
een eerste indruk

CIX
Mijn moeder geprikt
de stoel stond klaar
een pak van mijn hart

CVIII
De tulp strekt zich uit
lui, los, loom als
een kat op haar rug

CVII
Herinneringen
mijn woordenboek
voor stille dagen

CVI
Als een specht tikt ze,
niet aflatend
op het raam. Regen

CV
Zwerf door gedachten,
kijk naar stilte
schrijven is vrijheid

CIV
Zeg het hardop, uit
de grond van je
hart, maak een begin

CIII
Schaapherders balen
van wandelaars,
die kuddedieren

CII
Ruiten zijn breekbaar
zoals geduld,
moed, waarheid, vrede

CI
Kruispunten wekken
verlangen op,
omkeren, afslaan

C
De mens broedt het uit
baant zich een weg
Hollandse natuur

XCIX
Avondwandeling
na negen uur
nog geen hond te zien

XCVIII
Een half uur erbij
wat moeten we
zonder de Kamer?

XCVII
We halen adem
eed, song, gedicht
Waarheid is woorden

XCVI
Stel je voor, een bel,
haast je van straat
Ieder – zonder hond

XCV
De kippen op stok
deskundigen
van de avond klok

XCIV
De zon neemt afscheid
het strand spoelt leeg
een bal rolt in zee

XCIII
Zijn woorden spoelen
hersens leeg,
make them great again

XCII
Niet dat het vriest, of
de winter wacht.
Einde van het jaar

XCI
De kerstdis van de
intervisie
Foto’s, een glimlach

XC
Wachten op de prik
streep op de muur
adem inhouden

LXXXIX
Op straat, vrijdagnacht,
etalages,
stille beloftes

LXXXVIII
Een maandje op slot
water en brood,
en ander voorrecht

LXXXVII
Essentiële
boodschap, hoor en
bespeel de ruimte

LXXXVI
Een plastic tas waait
door onze straat
Maandag, december

LXXXV
De straten stromen
vol, de lock down
aan de horizon

LXXXIV
Zijn foto is er,
onze woorden
we nemen afscheid

LXXXIII
Meesterlijk kon hij
zwijgen, elk woord
een blad in de wind

LXXXII
Herinneringen
Je maakt het mee
Nu blijkt het dierbaar

LXXXI
Hij ging met de wind:
tevreden, zijn.
Het gras hier is groen

LXXX
Een rood adresboek
Foto’s zwart wit
Een scheidsrechtersfluit

LXXIX
Als het leven stopt,
zoeken woorden
je afdruk in ons

LXXVIII
Een zucht, de laatste
vredige punt,
rust in je verhaal

Dick van den Berg
12 okt 1930 – 1 december 2020

LXXVII
Eerst verdwijnt ruimte
uit het leven
dan vergaat de tijd
(Voor Dick)

LXXVI
Voorwaarde om thuis
te komen, is
onderweg te zijn

LXXV
Het is schier te geef,
zwarte vrijdag,
Covid uitverkoop

LXXIV
Zaterdag Artis
De mensaap heeft
iets beters te doen

LXXIII
Het archief staat in
de Vijzelstraat
Is niet te missen

LXXIII
De bel, een pakket
een mens gezien
nat van de regen

LXXI
Je geboortedag
Zesentwintig
We koesteren je

LXX
Je werpt een schaduw
die afstand neemt
als de avond valt

LXIX
Ik ga naar mijn werk,
trappetje af,
ontbijt aan de kant

LXVIII
Fuji, Kyoto
een prent, foto’s,
is het echt gebeurd?

LXVII
Archiefonderzoek
verstoppertje
in ruimte en tijd

LXVI
Mijn grootvaders naam
geschreven in
jaar negentien twee

LXV
Dagje beeldbellen
ontmoetingen
met negen vakjes

LXIV
Het Blauwe Theehuis,
raap op de stoep
je loof en koffie

LXIII
Niets is wat het lijkt
Een grote troost
Als alles stil staat

LXII
Zijn knieën geknikt
een kop koffie
man schuifelt op straat

LXI
Het regent vandaag
pijpenstelen
De boom verliest kleur

LX
Een gokje wagen,
besmettelijk?
Het casino zwijgt

LIX
Stil op de A2
het asfalt kerft
een kras in de wei

LVIII
Presidenten gaan
Praatjes blijven
Een wolk drijft voorbij

LVII
Openbaar vervoer
De boot stopte
niet bij de halte

LVI
Niets voorgevallen
wassen, eten
Blad versiert stilte

LV
De vroege morgen,
huizen vangen
kleur op de wangen

LIV
Verandering is…
dat de vos haar
prooi de zege gunt

LIII
De expositie
heeft de deuren
zojuist weer geopend

LII
Belmont heet de lamp
van de tandarts
Buiten zont de herfst

LI
Bij de brug kunnen
we afspreken,
ommetje vliegen?

I – L. 20 maart – 19 mei 2020

L
Het is niet voorbij
vijftig haiku’s
zijn mijn laatste woord

XLIX
Willig besmet zijn
veertig mensen,
vrij en onverveerd

XLVIII
Economie krimpt,
taal groeit per dag:
zie hier gelaatscherm

XLVII
Terrasje pikken
mensen kijken
ogen naar je ziel

XLVI
Kansen te over
de Arena
als stiltecentrum?

XLV
Lang zal het duren
en af en toe
stuift een haiku op

XLIV
Altijd op gehoopt
ook voetbal blijkt
een evenement

XLIII
Controlefase,
overgangsfase,
kies ook een fase!

Op straat wel ieder
van fase
hartelijk gegroet?

XLII
Het raam toont mijn film:
een nieuwe dag.
De wind gaat liggen

XLI
Crimineel vannacht
geliquideerd
Mokum pakt draad op

XL
Exitstrategie,
touwtjes vieren
baasjes uit laten

XXXIX
Virus: de boodschap?
Ruimte, natuur,
minderen, samen

XXXVIII
Eindelijk zicht voor
BN-ers op
anonimiteit

XXXVII
Elke dag zondag
de winkels dicht
vader snijdt geen vlees

XXXVI
Primeur Koningsdag:
dit jaar hopen
we niet op regen

XXXV
Ajax kampioen
in deze tijd
een zekerheidje

XXXIV
Consuminderen
was maar een woord
smaakt het doen naar meer?

XXXIII
De zon lokt ons mee
een passant zegt:
‘We spelen mooi weer’

XXXII
Bedrijf zoekt talent:
bent u mensschuw?
Smetvrees, schermverslaving?

XXXI
Het ís overdraagbaar:
hoop, toewijding
liefde, vertrouwen

XXX
Rutte komt, hoe laat?
vrees, verlangen
naar papa’s woorden

“Prille begin van
de weg terug”,
dwalend door jungle…

… sidderend vangen
we de boodschap
een kat of kado?

XXIX
Kluizenaar zijn we,
holbewoner,
schuilend voor mensen

XXVIII
Een vleermuis of lab?
Complotdenkers’
hebben een speeltje

XXVII
Corona krediet
wie krijgt het niet?
Voor wie het kunst is

XXVI
Eén punt vijf meter
samenleving
past in een haiku

XXV
Op TV zie ik
handen schudden
Rare gewoonten

XXIV
De jonge Rutte
probeert een Geen-
Nieuws-conferentie

XXIII
“Grote Afsluiting”,
Besmette tijd,
je bent gebrandmerkt

XXII
De appelboom smacht:
Mag de bij mijn
bloesem omhelzen?

XXI
Kom-niet-te-dichtbij-
economie:
Stop tutoyeren

XX
‘Verdachte ontsnapt’,
zeggen kranten.
Wie van ons allen?

XIX
Stucen en schuren,
Soezen, schrijven,
Zien, zinnen en zijn

XVIII
Het nieuwe normaal
ontsproten in
abnormaliteit

XVII
Beeldbellen, het werkt
niet alleen, het woord
deugt en is, beeld schoon

XVI
Fluitende vogels
zoeven “s ochtends
op lege wegen

XV
Een app aan je lijf,
de overheid schenkt
ons een Grote Broer

XIV
Corona-lente
omhelzingen
van mijn bloemetjes

XIII
Poëzie, de pijl
die ik schiet in
zelf-isolatie

XII
Persconferenties,
onderdanen
halen boodschappen

XI
Kus de barista
deze keer maar niet.
Nieuwe routines

X
Coronacrisis,
buiten snacken
koude lentewind

IX
Zonder touw op twee
bergen klimmen,
dat is winkelen

VIII
Anderhalf meter
woorden houden
gepaste afstand

VII
Buiten maakt de boom
kleine blaadjes
Het is een begin

VI
In witte huizen
werken helden
en éen dikdoener

V
Zachte lentedag,
verrukkelijk.
Om naar te kijken

IV
Hoe gaat het met je?,
schrijf ik in apps,
mails, hoofd, hart en hier

III
Vandaag het virus
uitgelaten
met and’re baasjes

II
Soo sjel distan sing
het Nederlands
in quarantaine

I
Onbestemde tijd,
alles is nieuw
Tolken werken thuis

Ondertussen 13 maart 2021

CXIX
Het waait, een man buigt
naar de regen
Stilte in mijn hoofd

CXVIII
Droomhuis of bouwval
de verbeelding
heeft het laatste woord

CXVII
Op het strand beeld en
woord gevonden
het is een haiku

CXVI
Rutte? Niet gezien
door de haren
voor beide ogen

CXV
De ene voet voor
de andere
Geheim van leven

CXIV
Schuilplaats voor de dooi,
het ijs feest aan
de voet van de dijk

CXIII
Lijk in de branding
Zee ruist een lied
Dooi verteert de sneeuw

CXII
Op de plas stilt men
alle noden
Ik kijk naar ijspret

CXI
Eindelijk, het weer
past zich aan, thuis,
bleek, langzaam, uitval

CX
Vormen die de sneeuw
in de weg staan
een eerste indruk

CIX
Mijn moeder geprikt
de stoel stond klaar
een pak van mijn hart

CVIII
De tulp strekt zich uit
lui, los, loom als
een kat op haar rug

CVII
Herinneringen
mijn woordenboek
voor stille dagen

CVI
Als een specht tikt ze,
niet aflatend
op het raam. Regen

CV
Zwerf door gedachten,
kijk naar stilte
schrijven is vrijheid

CIV
Zeg het hardop, uit
de grond van je
hart, maak een begin

CIII
Schaapherders balen
van wandelaars,
die kuddedieren

CII
Ruiten zijn breekbaar
zoals geduld,
moed, waarheid, vrede

CI
Kruispunten wekken
verlangen op,
omkeren, afslaan

C
De mens broedt het uit
baant zich een weg
Hollandse natuur

XCIX
Avondwandeling
na negen uur
nog geen hond te zien

XCVIII
Een half uur erbij
wat moeten we
zonder de Kamer?

XCVII
We halen adem
eed, song, gedicht
Waarheid is woorden

XCVI
Stel je voor, een bel,
haast je van straat
Ieder – zonder hond

XCV
De kippen op stok
deskundigen
van de avond klok

XCIV
De zon neemt afscheid
het strand spoelt leeg
een bal rolt in zee

XCIII
Zijn woorden spoelen
hersens leeg,
make them great again

XCII
Niet dat het vriest, of
de winter wacht.
Einde van het jaar

XCI
De kerstdis van de
intervisie
Foto’s, een glimlach

XC
Wachten op de prik
streep op de muur
adem inhouden

LXXXIX
Op straat, vrijdagnacht,
etalages,
stille beloftes

LXXXVIII
Een maandje op slot
water en brood,
en ander voorrecht

LXXXVII
Essentiële
boodschap, hoor en
bespeel de ruimte

LXXXVI
Een plastic tas waait
door onze straat
Maandag, december

LXXXV
De straten stromen
vol, de lock down
aan de horizon

LXXXIV
Zijn foto is er,
onze woorden
we nemen afscheid

LXXXIII
Meesterlijk kon hij
zwijgen, elk woord
een blad in de wind

LXXXII
Herinneringen
Je maakt het mee
Nu blijkt het dierbaar

LXXXI
Hij ging met de wind:
tevreden, zijn.
Het gras hier is groen

LXXX
Een rood adresboek
Foto’s zwart wit
Een scheidsrechtersfluit

LXXIX
Als het leven stopt,
zoeken woorden
je afdruk in ons

LXXVIII
Een zucht, de laatste
vredige punt,
rust in je verhaal

Dick van den Berg
12 okt 1930 – 1 december 2020

LXXVII
Eerst verdwijnt ruimte
uit het leven
dan vergaat de tijd
(Voor Dick)

LXXVI
Voorwaarde om thuis
te komen, is
onderweg te zijn

LXXV
Het is schier te geef,
zwarte vrijdag,
Covid uitverkoop

LXXIV
Zaterdag Artis
De mensaap heeft
iets beters te doen

LXXIII
Het archief staat in
de Vijzelstraat
Is niet te missen

LXXIII
De bel, een pakket
een mens gezien
nat van de regen

LXXI
Je geboortedag
Zesentwintig
We koesteren je

LXX
Je werpt een schaduw
die afstand neemt
als de avond valt

LXIX
Ik ga naar mijn werk,
trappetje af,
ontbijt aan de kant

LXVIII
Fuji, Kyoto
een prent, foto’s,
is het echt gebeurd?

LXVII
Archiefonderzoek
verstoppertje
in ruimte en tijd

LXVI
Mijn grootvaders naam
geschreven in
jaar negentien twee

LXV
Dagje beeldbellen
ontmoetingen
met negen vakjes

LXIV
Het Blauwe Theehuis,
raap op de stoep
je loof en koffie

LXIII
Niets is wat het lijkt
Een grote troost
Als alles stil staat

LXII
Zijn knieën geknikt
een kop koffie
man schuifelt op straat

LXI
Het regent vandaag
pijpenstelen
De boom verliest kleur

LX
Een gokje wagen,
besmettelijk?
Het casino zwijgt

LIX
Stil op de A2
het asfalt kerft
een kras in de wei

LVIII
Presidenten gaan
Praatjes blijven
Een wolk drijft voorbij

LVII
Openbaar vervoer
De boot stopte
niet bij de halte

LVI
Niets voorgevallen
wassen, eten
Blad versiert stilte

LV
De vroege morgen,
huizen vangen
kleur op de wangen

LIV
Verandering is…
dat de vos haar
prooi de zege gunt

LIII
De expositie
heeft de deuren
zojuist weer geopend

LII
Belmont heet de lamp
van de tandarts
Buiten zont de herfst

LI
Bij de brug kunnen
we afspreken,
ommetje vliegen?

I – L. 20 maart – 19 mei 2020

L
Het is niet voorbij
vijftig haiku’s
zijn mijn laatste woord

XLIX
Willig besmet zijn
veertig mensen,
vrij en onverveerd

XLVIII
Economie krimpt,
taal groeit per dag:
zie hier gelaatscherm

XLVII
Terrasje pikken
mensen kijken
ogen naar je ziel

XLVI
Kansen te over
de Arena
als stiltecentrum?

XLV
Lang zal het duren
en af en toe
stuift een haiku op

XLIV
Altijd op gehoopt
ook voetbal blijkt
een evenement

XLIII
Controlefase,
overgangsfase,
kies ook een fase!

Op straat wel ieder
van fase
hartelijk gegroet?

XLII
Het raam toont mijn film:
een nieuwe dag.
De wind gaat liggen

XLI
Crimineel vannacht
geliquideerd
Mokum pakt draad op

XL
Exitstrategie,
touwtjes vieren
baasjes uit laten

XXXIX
Virus: de boodschap?
Ruimte, natuur,
minderen, samen

XXXVIII
Eindelijk zicht voor
BN-ers op
anonimiteit

XXXVII
Elke dag zondag
de winkels dicht
vader snijdt geen vlees

XXXVI
Primeur Koningsdag:
dit jaar hopen
we niet op regen

XXXV
Ajax kampioen
in deze tijd
een zekerheidje

XXXIV
Consuminderen
was maar een woord
smaakt het doen naar meer?

XXXIII
De zon lokt ons mee
een passant zegt:
‘We spelen mooi weer’

XXXII
Bedrijf zoekt talent:
bent u mensschuw?
Smetvrees, schermverslaving?

XXXI
Het ís overdraagbaar:
hoop, toewijding
liefde, vertrouwen

XXX
Rutte komt, hoe laat?
vrees, verlangen
naar papa’s woorden

“Prille begin van
de weg terug”,
dwalend door jungle…

… sidderend vangen
we de boodschap
een kat of kado?

XXIX
Kluizenaar zijn we,
holbewoner,
schuilend voor mensen

XXVIII
Een vleermuis of lab?
Complotdenkers’
hebben een speeltje

XXVII
Corona krediet
wie krijgt het niet?
Voor wie het kunst is

XXVI
Eén punt vijf meter
samenleving
past in een haiku

XXV
Op TV zie ik
handen schudden
Rare gewoonten

XXIV
De jonge Rutte
probeert een Geen-
Nieuws-conferentie

XXIII
“Grote Afsluiting”,
Besmette tijd,
je bent gebrandmerkt

XXII
De appelboom smacht:
Mag de bij mijn
bloesem omhelzen?

XXI
Kom-niet-te-dichtbij-
economie:
Stop tutoyeren

XX
‘Verdachte ontsnapt’,
zeggen kranten.
Wie van ons allen?

XIX
Stucen en schuren,
Soezen, schrijven,
Zien, zinnen en zijn

XVIII
Het nieuwe normaal
ontsproten in
abnormaliteit

XVII
Beeldbellen, het werkt
niet alleen, het woord
deugt en is, beeld schoon

XVI
Fluitende vogels
zoeven “s ochtends
op lege wegen

XV
Een app aan je lijf,
de overheid schenkt
ons een Grote Broer

XIV
Corona-lente
omhelzingen
van mijn bloemetjes

XIII
Poëzie, de pijl
die ik schiet in
zelf-isolatie

XII
Persconferenties,
onderdanen
halen boodschappen

XI
Kus de barista
deze keer maar niet.
Nieuwe routines

X
Coronacrisis,
buiten snacken
koude lentewind

IX
Zonder touw op twee
bergen klimmen,
dat is winkelen

VIII
Anderhalf meter
woorden houden
gepaste afstand

VII
Buiten maakt de boom
kleine blaadjes
Het is een begin

VI
In witte huizen
werken helden
en éen dikdoener

V
Zachte lentedag,
verrukkelijk.
Om naar te kijken

IV
Hoe gaat het met je?,
schrijf ik in apps,
mails, hoofd, hart en hier

III
Vandaag het virus
uitgelaten
met and’re baasjes

II
Soo sjel distan sing
het Nederlands
in quarantaine

I
Onbestemde tijd,
alles is nieuw
Tolken werken thuis

Ondertussen 7 maart 2021

CXVIII
Droomhuis of bouwval
de verbeelding
heeft het laatste woord

CXVII
Op het strand beeld en
woord gevonden
het is een haiku

CXVI
Rutte? Niet gezien
door de haren
voor beide ogen

CXV
De ene voet voor
de andere
Geheim van leven

CXIV
Schuilplaats voor de dooi,
het ijs feest aan
de voet van de dijk

CXIII
Lijk in de branding
Zee ruist een lied
Dooi verteert de sneeuw

CXII
Op de plas stilt men
alle noden
Ik kijk naar ijspret

CXI
Eindelijk, het weer
past zich aan, thuis,
bleek, langzaam, uitval

CX
Vormen die de sneeuw
in de weg staan
een eerste indruk

CIX
Mijn moeder geprikt
de stoel stond klaar
een pak van mijn hart

CVIII
De tulp strekt zich uit
lui, los, loom als
een kat op haar rug

CVII
Herinneringen
mijn woordenboek
voor stille dagen

CVI
Als een specht tikt ze,
niet aflatend
op het raam. Regen

CV
Zwerf door gedachten,
kijk naar stilte
schrijven is vrijheid

CIV
Zeg het hardop, uit
de grond van je
hart, maak een begin

CIII
Schaapherders balen
van wandelaars,
die kuddedieren

CII
Ruiten zijn breekbaar
zoals geduld,
moed, waarheid, vrede

CI
Kruispunten wekken
verlangen op,
omkeren, afslaan

C
De mens broedt het uit
baant zich een weg
Hollandse natuur

XCIX
Avondwandeling
na negen uur
nog geen hond te zien

XCVIII
Een half uur erbij
wat moeten we
zonder de Kamer?

XCVII
We halen adem
eed, song, gedicht
Waarheid is woorden

XCVI
Stel je voor, een bel,
haast je van straat
Ieder – zonder hond

XCV
De kippen op stok
deskundigen
van de avond klok

XCIV
De zon neemt afscheid
het strand spoelt leeg
een bal rolt in zee

XCIII
Zijn woorden spoelen
hersens leeg,
make them great again

XCII
Niet dat het vriest, of
de winter wacht.
Einde van het jaar

XCI
De kerstdis van de
intervisie
Foto’s, een glimlach

XC
Wachten op de prik
streep op de muur
adem inhouden

LXXXIX
Op straat, vrijdagnacht,
etalages,
stille beloftes

LXXXVIII
Een maandje op slot
water en brood,
en ander voorrecht

LXXXVII
Essentiële
boodschap, hoor en
bespeel de ruimte

LXXXVI
Een plastic tas waait
door onze straat
Maandag, december

LXXXV
De straten stromen
vol, de lock down
aan de horizon

LXXXIV
Zijn foto is er,
onze woorden
we nemen afscheid

LXXXIII
Meesterlijk kon hij
zwijgen, elk woord
een blad in de wind

LXXXII
Herinneringen
Je maakt het mee
Nu blijkt het dierbaar

LXXXI
Hij ging met de wind:
tevreden, zijn.
Het gras hier is groen

LXXX
Een rood adresboek
Foto’s zwart wit
Een scheidsrechtersfluit

LXXIX
Als het leven stopt,
zoeken woorden
je afdruk in ons

LXXVIII
Een zucht, de laatste
vredige punt,
rust in je verhaal

Dick van den Berg
12 okt 1930 – 1 december 2020

LXXVII
Eerst verdwijnt ruimte
uit het leven
dan vergaat de tijd
(Voor Dick)

LXXVI
Voorwaarde om thuis
te komen, is
onderweg te zijn

LXXV
Het is schier te geef,
zwarte vrijdag,
Covid uitverkoop

LXXIV
Zaterdag Artis
De mensaap heeft
iets beters te doen

LXXIII
Het archief staat in
de Vijzelstraat
Is niet te missen

LXXIII
De bel, een pakket
een mens gezien
nat van de regen

LXXI
Je geboortedag
Zesentwintig
We koesteren je

LXX
Je werpt een schaduw
die afstand neemt
als de avond valt

LXIX
Ik ga naar mijn werk,
trappetje af,
ontbijt aan de kant

LXVIII
Fuji, Kyoto
een prent, foto’s,
is het echt gebeurd?

LXVII
Archiefonderzoek
verstoppertje
in ruimte en tijd

LXVI
Mijn grootvaders naam
geschreven in
jaar negentien twee

LXV
Dagje beeldbellen
ontmoetingen
met negen vakjes

LXIV
Het Blauwe Theehuis,
raap op de stoep
je loof en koffie

LXIII
Niets is wat het lijkt
Een grote troost
Als alles stil staat

LXII
Zijn knieën geknikt
een kop koffie
man schuifelt op straat

LXI
Het regent vandaag
pijpenstelen
De boom verliest kleur

LX
Een gokje wagen,
besmettelijk?
Het casino zwijgt

LIX
Stil op de A2
het asfalt kerft
een kras in de wei

LVIII
Presidenten gaan
Praatjes blijven
Een wolk drijft voorbij

LVII
Openbaar vervoer
De boot stopte
niet bij de halte

LVI
Niets voorgevallen
wassen, eten
Blad versiert stilte

LV
De vroege morgen,
huizen vangen
kleur op de wangen

LIV
Verandering is…
dat de vos haar
prooi de zege gunt

LIII
De expositie
heeft de deuren
zojuist weer geopend

LII
Belmont heet de lamp
van de tandarts
Buiten zont de herfst

LI
Bij de brug kunnen
we afspreken,
ommetje vliegen?

I – L. 20 maart – 19 mei 2020

L
Het is niet voorbij
vijftig haiku’s
zijn mijn laatste woord

XLIX
Willig besmet zijn
veertig mensen,
vrij en onverveerd

XLVIII
Economie krimpt,
taal groeit per dag:
zie hier gelaatscherm

XLVII
Terrasje pikken
mensen kijken
ogen naar je ziel

XLVI
Kansen te over
de Arena
als stiltecentrum?

XLV
Lang zal het duren
en af en toe
stuift een haiku op

XLIV
Altijd op gehoopt
ook voetbal blijkt
een evenement

XLIII
Controlefase,
overgangsfase,
kies ook een fase!

Op straat wel ieder
van fase
hartelijk gegroet?

XLII
Het raam toont mijn film:
een nieuwe dag.
De wind gaat liggen

XLI
Crimineel vannacht
geliquideerd
Mokum pakt draad op

XL
Exitstrategie,
touwtjes vieren
baasjes uit laten

XXXIX
Virus: de boodschap?
Ruimte, natuur,
minderen, samen

XXXVIII
Eindelijk zicht voor
BN-ers op
anonimiteit

XXXVII
Elke dag zondag
de winkels dicht
vader snijdt geen vlees

XXXVI
Primeur Koningsdag:
dit jaar hopen
we niet op regen

XXXV
Ajax kampioen
in deze tijd
een zekerheidje

XXXIV
Consuminderen
was maar een woord
smaakt het doen naar meer?

XXXIII
De zon lokt ons mee
een passant zegt:
‘We spelen mooi weer’

XXXII
Bedrijf zoekt talent:
bent u mensschuw?
Smetvrees, schermverslaving?

XXXI
Het ís overdraagbaar:
hoop, toewijding
liefde, vertrouwen

XXX
Rutte komt, hoe laat?
vrees, verlangen
naar papa’s woorden

“Prille begin van
de weg terug”,
dwalend door jungle…

… sidderend vangen
we de boodschap
een kat of kado?

XXIX
Kluizenaar zijn we,
holbewoner,
schuilend voor mensen

XXVIII
Een vleermuis of lab?
Complotdenkers’
hebben een speeltje

XXVII
Corona krediet
wie krijgt het niet?
Voor wie het kunst is

XXVI
Eén punt vijf meter
samenleving
past in een haiku

XXV
Op TV zie ik
handen schudden
Rare gewoonten

XXIV
De jonge Rutte
probeert een Geen-
Nieuws-conferentie

XXIII
“Grote Afsluiting”,
Besmette tijd,
je bent gebrandmerkt

XXII
De appelboom smacht:
Mag de bij mijn
bloesem omhelzen?

XXI
Kom-niet-te-dichtbij-
economie:
Stop tutoyeren

XX
‘Verdachte ontsnapt’,
zeggen kranten.
Wie van ons allen?

XIX
Stucen en schuren,
Soezen, schrijven,
Zien, zinnen en zijn

XVIII
Het nieuwe normaal
ontsproten in
abnormaliteit

XVII
Beeldbellen, het werkt
niet alleen, het woord
deugt en is, beeld schoon

XVI
Fluitende vogels
zoeven “s ochtends
op lege wegen

XV
Een app aan je lijf,
de overheid schenkt
ons een Grote Broer

XIV
Corona-lente
omhelzingen
van mijn bloemetjes

XIII
Poëzie, de pijl
die ik schiet in
zelf-isolatie

XII
Persconferenties,
onderdanen
halen boodschappen

XI
Kus de barista
deze keer maar niet.
Nieuwe routines

X
Coronacrisis,
buiten snacken
koude lentewind

IX
Zonder touw op twee
bergen klimmen,
dat is winkelen

VIII
Anderhalf meter
woorden houden
gepaste afstand

VII
Buiten maakt de boom
kleine blaadjes
Het is een begin

VI
In witte huizen
werken helden
en éen dikdoener

V
Zachte lentedag,
verrukkelijk.
Om naar te kijken

IV
Hoe gaat het met je?,
schrijf ik in apps,
mails, hoofd, hart en hier

III
Vandaag het virus
uitgelaten
met and’re baasjes

II
Soo sjel distan sing
het Nederlands
in quarantaine

I
Onbestemde tijd,
alles is nieuw
Tolken werken thuis

Ondertussen 26 februari 2021

CXVII
Op het strand beeld en
woord gevonden
het is een haiku

CXVI
Rutte? Niet gezien
door de haren
voor beide ogen

CXV
De ene voet voor
de andere
Geheim van leven

CXIV
Schuilplaats voor de dooi,
het ijs feest aan
de voet van de dijk

CXIII
Lijk in de branding
Zee ruist een lied
Dooi verteert de sneeuw

CXII
Op de plas stilt men
alle noden
Ik kijk naar ijspret

CXI
Eindelijk, het weer
past zich aan, thuis,
bleek, langzaam, uitval

CX
Vormen die de sneeuw
in de weg staan
een eerste indruk

CIX
Mijn moeder geprikt
de stoel stond klaar
een pak van mijn hart

CVIII
De tulp strekt zich uit
lui, los, loom als
een kat op haar rug

CVII
Herinneringen
mijn woordenboek
voor stille dagen

CVI
Als een specht tikt ze,
niet aflatend
op het raam. Regen

CV
Zwerf door gedachten,
kijk naar stilte
schrijven is vrijheid

CIV
Zeg het hardop, uit
de grond van je
hart, maak een begin

CIII
Schaapherders balen
van wandelaars,
die kuddedieren

CII
Ruiten zijn breekbaar
zoals geduld,
moed, waarheid, vrede

CI
Kruispunten wekken
verlangen op,
omkeren, afslaan

C
De mens broedt het uit
baant zich een weg
Hollandse natuur

XCIX
Avondwandeling
na negen uur
nog geen hond te zien

XCVIII
Een half uur erbij
wat moeten we
zonder de Kamer?

XCVII
We halen adem
eed, song, gedicht
Waarheid is woorden

XCVI
Stel je voor, een bel,
haast je van straat
Ieder – zonder hond

XCV
De kippen op stok
deskundigen
van de avond klok

XCIV
De zon neemt afscheid
het strand spoelt leeg
een bal rolt in zee

XCIII
Zijn woorden spoelen
hersens leeg,
make them great again

XCII
Niet dat het vriest, of
de winter wacht.
Einde van het jaar

XCI
De kerstdis van de
intervisie
Foto’s, een glimlach

XC
Wachten op de prik
streep op de muur
adem inhouden

LXXXIX
Op straat, vrijdagnacht,
etalages,
stille beloftes

LXXXVIII
Een maandje op slot
water en brood,
en ander voorrecht

LXXXVII
Essentiële
boodschap, hoor en
bespeel de ruimte

LXXXVI
Een plastic tas waait
door onze straat
Maandag, december

LXXXV
De straten stromen
vol, de lock down
aan de horizon

LXXXIV
Zijn foto is er,
onze woorden
we nemen afscheid

LXXXIII
Meesterlijk kon hij
zwijgen, elk woord
een blad in de wind

LXXXII
Herinneringen
Je maakt het mee
Nu blijkt het dierbaar

LXXXI
Hij ging met de wind:
tevreden, zijn.
Het gras hier is groen

LXXX
Een rood adresboek
Foto’s zwart wit
Een scheidsrechtersfluit

LXXIX
Als het leven stopt,
zoeken woorden
je afdruk in ons

LXXVIII
Een zucht, de laatste
vredige punt,
rust in je verhaal

Dick van den Berg
12 okt 1930 – 1 december 2020

LXXVII
Eerst verdwijnt ruimte
uit het leven
dan vergaat de tijd
(Voor Dick)

LXXVI
Voorwaarde om thuis
te komen, is
onderweg te zijn

LXXV
Het is schier te geef,
zwarte vrijdag,
Covid uitverkoop

LXXIV
Zaterdag Artis
De mensaap heeft
iets beters te doen

LXXIII
Het archief staat in
de Vijzelstraat
Is niet te missen

LXXIII
De bel, een pakket
een mens gezien
nat van de regen

LXXI
Je geboortedag
Zesentwintig
We koesteren je

LXX
Je werpt een schaduw
die afstand neemt
als de avond valt

LXIX
Ik ga naar mijn werk,
trappetje af,
ontbijt aan de kant

LXVIII
Fuji, Kyoto
een prent, foto’s,
is het echt gebeurd?

LXVII
Archiefonderzoek
verstoppertje
in ruimte en tijd

LXVI
Mijn grootvaders naam
geschreven in
jaar negentien twee

LXV
Dagje beeldbellen
ontmoetingen
met negen vakjes

LXIV
Het Blauwe Theehuis,
raap op de stoep
je loof en koffie

LXIII
Niets is wat het lijkt
Een grote troost
Als alles stil staat

LXII
Zijn knieën geknikt
een kop koffie
man schuifelt op straat

LXI
Het regent vandaag
pijpenstelen
De boom verliest kleur

LX
Een gokje wagen,
besmettelijk?
Het casino zwijgt

LIX
Stil op de A2
het asfalt kerft
een kras in de wei

LVIII
Presidenten gaan
Praatjes blijven
Een wolk drijft voorbij

LVII
Openbaar vervoer
De boot stopte
niet bij de halte

LVI
Niets voorgevallen
wassen, eten
Blad versiert stilte

LV
De vroege morgen,
huizen vangen
kleur op de wangen

LIV
Verandering is…
dat de vos haar
prooi de zege gunt

LIII
De expositie
heeft de deuren
zojuist weer geopend

LII
Belmont heet de lamp
van de tandarts
Buiten zont de herfst

LI
Bij de brug kunnen
we afspreken,
ommetje vliegen?

I – L. 20 maart – 19 mei 2020

L
Het is niet voorbij
vijftig haiku’s
zijn mijn laatste woord

XLIX
Willig besmet zijn
veertig mensen,
vrij en onverveerd

XLVIII
Economie krimpt,
taal groeit per dag:
zie hier gelaatscherm

XLVII
Terrasje pikken
mensen kijken
ogen naar je ziel

XLVI
Kansen te over
de Arena
als stiltecentrum?

XLV
Lang zal het duren
en af en toe
stuift een haiku op

XLIV
Altijd op gehoopt
ook voetbal blijkt
een evenement

XLIII
Controlefase,
overgangsfase,
kies ook een fase!

Op straat wel ieder
van fase
hartelijk gegroet?

XLII
Het raam toont mijn film:
een nieuwe dag.
De wind gaat liggen

XLI
Crimineel vannacht
geliquideerd
Mokum pakt draad op

XL
Exitstrategie,
touwtjes vieren
baasjes uit laten

XXXIX
Virus: de boodschap?
Ruimte, natuur,
minderen, samen

XXXVIII
Eindelijk zicht voor
BN-ers op
anonimiteit

XXXVII
Elke dag zondag
de winkels dicht
vader snijdt geen vlees

XXXVI
Primeur Koningsdag:
dit jaar hopen
we niet op regen

XXXV
Ajax kampioen
in deze tijd
een zekerheidje

XXXIV
Consuminderen
was maar een woord
smaakt het doen naar meer?

XXXIII
De zon lokt ons mee
een passant zegt:
‘We spelen mooi weer’

XXXII
Bedrijf zoekt talent:
bent u mensschuw?
Smetvrees, schermverslaving?

XXXI
Het ís overdraagbaar:
hoop, toewijding
liefde, vertrouwen

XXX
Rutte komt, hoe laat?
vrees, verlangen
naar papa’s woorden

“Prille begin van
de weg terug”,
dwalend door jungle…

… sidderend vangen
we de boodschap
een kat of kado?

XXIX
Kluizenaar zijn we,
holbewoner,
schuilend voor mensen

XXVIII
Een vleermuis of lab?
Complotdenkers’
hebben een speeltje

XXVII
Corona krediet
wie krijgt het niet?
Voor wie het kunst is

XXVI
Eén punt vijf meter
samenleving
past in een haiku

XXV
Op TV zie ik
handen schudden
Rare gewoonten

XXIV
De jonge Rutte
probeert een Geen-
Nieuws-conferentie

XXIII
“Grote Afsluiting”,
Besmette tijd,
je bent gebrandmerkt

XXII
De appelboom smacht:
Mag de bij mijn
bloesem omhelzen?

XXI
Kom-niet-te-dichtbij-
economie:
Stop tutoyeren

XX
‘Verdachte ontsnapt’,
zeggen kranten.
Wie van ons allen?

XIX
Stucen en schuren,
Soezen, schrijven,
Zien, zinnen en zijn

XVIII
Het nieuwe normaal
ontsproten in
abnormaliteit

XVII
Beeldbellen, het werkt
niet alleen, het woord
deugt en is, beeld schoon

XVI
Fluitende vogels
zoeven “s ochtends
op lege wegen

XV
Een app aan je lijf,
de overheid schenkt
ons een Grote Broer

XIV
Corona-lente
omhelzingen
van mijn bloemetjes

XIII
Poëzie, de pijl
die ik schiet in
zelf-isolatie

XII
Persconferenties,
onderdanen
halen boodschappen

XI
Kus de barista
deze keer maar niet.
Nieuwe routines

X
Coronacrisis,
buiten snacken
koude lentewind

IX
Zonder touw op twee
bergen klimmen,
dat is winkelen

VIII
Anderhalf meter
woorden houden
gepaste afstand

VII
Buiten maakt de boom
kleine blaadjes
Het is een begin

VI
In witte huizen
werken helden
en éen dikdoener

V
Zachte lentedag,
verrukkelijk.
Om naar te kijken

IV
Hoe gaat het met je?,
schrijf ik in apps,
mails, hoofd, hart en hier

III
Vandaag het virus
uitgelaten
met and’re baasjes

II
Soo sjel distan sing
het Nederlands
in quarantaine

I
Onbestemde tijd,
alles is nieuw
Tolken werken thuis

Ondertussen 23 februari 2021

CXVI
Rutte? Niet gezien
door de haren
voor beide ogen

CXV
De ene voet voor
de andere
Geheim van leven

CXIV
Schuilplaats voor de dooi,
het ijs feest aan
de voet van de dijk

CXIII
Lijk in de branding
Zee ruist een lied
Dooi verteert de sneeuw

CXII
Op de plas stilt men
alle noden
Ik kijk naar ijspret

CXI
Eindelijk, het weer
past zich aan, thuis,
bleek, langzaam, uitval

CX
Vormen die de sneeuw
in de weg staan
een eerste indruk

CIX
Mijn moeder geprikt
de stoel stond klaar
een pak van mijn hart

CVIII
De tulp strekt zich uit
lui, los, loom als
een kat op haar rug

CVII
Herinneringen
mijn woordenboek
voor stille dagen

CVI
Als een specht tikt ze,
niet aflatend
op het raam. Regen

CV
Zwerf door gedachten,
kijk naar stilte
schrijven is vrijheid

CIV
Zeg het hardop, uit
de grond van je
hart, maak een begin

CIII
Schaapherders balen
van wandelaars,
die kuddedieren

CII
Ruiten zijn breekbaar
zoals geduld,
moed, waarheid, vrede

CI
Kruispunten wekken
verlangen op,
omkeren, afslaan

C
De mens broedt het uit
baant zich een weg
Hollandse natuur

XCIX
Avondwandeling
na negen uur
nog geen hond te zien

XCVIII
Een half uur erbij
wat moeten we
zonder de Kamer?

XCVII
We halen adem
eed, song, gedicht
Waarheid is woorden

XCVI
Stel je voor, een bel,
haast je van straat
Ieder – zonder hond

XCV
De kippen op stok
deskundigen
van de avond klok

XCIV
De zon neemt afscheid
het strand spoelt leeg
een bal rolt in zee

XCIII
Zijn woorden spoelen
hersens leeg,
make them great again

XCII
Niet dat het vriest, of
de winter wacht.
Einde van het jaar

XCI
De kerstdis van de
intervisie
Foto’s, een glimlach

XC
Wachten op de prik
streep op de muur
adem inhouden

LXXXIX
Op straat, vrijdagnacht,
etalages,
stille beloftes

LXXXVIII
Een maandje op slot
water en brood,
en ander voorrecht

LXXXVII
Essentiële
boodschap, hoor en
bespeel de ruimte

LXXXVI
Een plastic tas waait
door onze straat
Maandag, december

LXXXV
De straten stromen
vol, de lock down
aan de horizon

LXXXIV
Zijn foto is er,
onze woorden
we nemen afscheid

LXXXIII
Meesterlijk kon hij
zwijgen, elk woord
een blad in de wind

LXXXII
Herinneringen
Je maakt het mee
Nu blijkt het dierbaar

LXXXI
Hij ging met de wind:
tevreden, zijn.
Het gras hier is groen

LXXX
Een rood adresboek
Foto’s zwart wit
Een scheidsrechtersfluit

LXXIX
Als het leven stopt,
zoeken woorden
je afdruk in ons

LXXVIII
Een zucht, de laatste
vredige punt,
rust in je verhaal

Dick van den Berg
12 okt 1930 – 1 december 2020

LXXVII
Eerst verdwijnt ruimte
uit het leven
dan vergaat de tijd
(Voor Dick)

LXXVI
Voorwaarde om thuis
te komen, is
onderweg te zijn

LXXV
Het is schier te geef,
zwarte vrijdag,
Covid uitverkoop

LXXIV
Zaterdag Artis
De mensaap heeft
iets beters te doen

LXXIII
Het archief staat in
de Vijzelstraat
Is niet te missen

LXXIII
De bel, een pakket
een mens gezien
nat van de regen

LXXI
Je geboortedag
Zesentwintig
We koesteren je

LXX
Je werpt een schaduw
die afstand neemt
als de avond valt

LXIX
Ik ga naar mijn werk,
trappetje af,
ontbijt aan de kant

LXVIII
Fuji, Kyoto
een prent, foto’s,
is het echt gebeurd?

LXVII
Archiefonderzoek
verstoppertje
in ruimte en tijd

LXVI
Mijn grootvaders naam
geschreven in
jaar negentien twee

LXV
Dagje beeldbellen
ontmoetingen
met negen vakjes

LXIV
Het Blauwe Theehuis,
raap op de stoep
je loof en koffie

LXIII
Niets is wat het lijkt
Een grote troost
Als alles stil staat

LXII
Zijn knieën geknikt
een kop koffie
man schuifelt op straat

LXI
Het regent vandaag
pijpenstelen
De boom verliest kleur

LX
Een gokje wagen,
besmettelijk?
Het casino zwijgt

LIX
Stil op de A2
het asfalt kerft
een kras in de wei

LVIII
Presidenten gaan
Praatjes blijven
Een wolk drijft voorbij

LVII
Openbaar vervoer
De boot stopte
niet bij de halte

LVI
Niets voorgevallen
wassen, eten
Blad versiert stilte

LV
De vroege morgen,
huizen vangen
kleur op de wangen

LIV
Verandering is…
dat de vos haar
prooi de zege gunt

LIII
De expositie
heeft de deuren
zojuist weer geopend

LII
Belmont heet de lamp
van de tandarts
Buiten zont de herfst

LI
Bij de brug kunnen
we afspreken,
ommetje vliegen?

I – L. 20 maart – 19 mei 2020

L
Het is niet voorbij
vijftig haiku’s
zijn mijn laatste woord

XLIX
Willig besmet zijn
veertig mensen,
vrij en onverveerd

XLVIII
Economie krimpt,
taal groeit per dag:
zie hier gelaatscherm

XLVII
Terrasje pikken
mensen kijken
ogen naar je ziel

XLVI
Kansen te over
de Arena
als stiltecentrum?

XLV
Lang zal het duren
en af en toe
stuift een haiku op

XLIV
Altijd op gehoopt
ook voetbal blijkt
een evenement

XLIII
Controlefase,
overgangsfase,
kies ook een fase!

Op straat wel ieder
van fase
hartelijk gegroet?

XLII
Het raam toont mijn film:
een nieuwe dag.
De wind gaat liggen

XLI
Crimineel vannacht
geliquideerd
Mokum pakt draad op

XL
Exitstrategie,
touwtjes vieren
baasjes uit laten

XXXIX
Virus: de boodschap?
Ruimte, natuur,
minderen, samen

XXXVIII
Eindelijk zicht voor
BN-ers op
anonimiteit

XXXVII
Elke dag zondag
de winkels dicht
vader snijdt geen vlees

XXXVI
Primeur Koningsdag:
dit jaar hopen
we niet op regen

XXXV
Ajax kampioen
in deze tijd
een zekerheidje

XXXIV
Consuminderen
was maar een woord
smaakt het doen naar meer?

XXXIII
De zon lokt ons mee
een passant zegt:
‘We spelen mooi weer’

XXXII
Bedrijf zoekt talent:
bent u mensschuw?
Smetvrees, schermverslaving?

XXXI
Het ís overdraagbaar:
hoop, toewijding
liefde, vertrouwen

XXX
Rutte komt, hoe laat?
vrees, verlangen
naar papa’s woorden

“Prille begin van
de weg terug”,
dwalend door jungle…

… sidderend vangen
we de boodschap
een kat of kado?

XXIX
Kluizenaar zijn we,
holbewoner,
schuilend voor mensen

XXVIII
Een vleermuis of lab?
Complotdenkers’
hebben een speeltje

XXVII
Corona krediet
wie krijgt het niet?
Voor wie het kunst is

XXVI
Eén punt vijf meter
samenleving
past in een haiku

XXV
Op TV zie ik
handen schudden
Rare gewoonten

XXIV
De jonge Rutte
probeert een Geen-
Nieuws-conferentie

XXIII
“Grote Afsluiting”,
Besmette tijd,
je bent gebrandmerkt

XXII
De appelboom smacht:
Mag de bij mijn
bloesem omhelzen?

XXI
Kom-niet-te-dichtbij-
economie:
Stop tutoyeren

XX
‘Verdachte ontsnapt’,
zeggen kranten.
Wie van ons allen?

XIX
Stucen en schuren,
Soezen, schrijven,
Zien, zinnen en zijn

XVIII
Het nieuwe normaal
ontsproten in
abnormaliteit

XVII
Beeldbellen, het werkt
niet alleen, het woord
deugt en is, beeld schoon

XVI
Fluitende vogels
zoeven “s ochtends
op lege wegen

XV
Een app aan je lijf,
de overheid schenkt
ons een Grote Broer

XIV
Corona-lente
omhelzingen
van mijn bloemetjes

XIII
Poëzie, de pijl
die ik schiet in
zelf-isolatie

XII
Persconferenties,
onderdanen
halen boodschappen

XI
Kus de barista
deze keer maar niet.
Nieuwe routines

X
Coronacrisis,
buiten snacken
koude lentewind

IX
Zonder touw op twee
bergen klimmen,
dat is winkelen

VIII
Anderhalf meter
woorden houden
gepaste afstand

VII
Buiten maakt de boom
kleine blaadjes
Het is een begin

VI
In witte huizen
werken helden
en éen dikdoener

V
Zachte lentedag,
verrukkelijk.
Om naar te kijken

IV
Hoe gaat het met je?,
schrijf ik in apps,
mails, hoofd, hart en hier

III
Vandaag het virus
uitgelaten
met and’re baasjes

II
Soo sjel distan sing
het Nederlands
in quarantaine

I
Onbestemde tijd,
alles is nieuw
Tolken werken thuis