Alle berichten van Eric ten Hulsen

Ondertussen in Amsterdam, 27 oktober 2022

André de Vries, 4 juni 1926 – 27 oktober 2022

‘Ik hoop dat jullie… toch een goed leven hebben’, zei mijn oom André vanmorgen. Zesennegentig jaar oud woonde hij nog zelfstandig. Tot hij viel. Sinds vier maanden was hij aan een rolstoel gekluisterd. Opgenomen in een verpleeghuis en afhankelijk van hulp. Voor toiletbezoek. Om in bed te komen. En op te staan. Soms lag hij dertien en een half uur plat. Van negen uur in de avond tot half elf de volgende morgen. Hij was een nachtmens, las thuis na middernacht het nieuws, schreef apps en mails. Nu telde hij de uren, starend naar het plafond, de pijn in zijn benen verbijtend.

Een onderzoeker was hij. Nieuwsgierig, spitte het internet af op kennis en inzichten. Om zich te informeren.
       ‘Ik weet precies wat in de wereld gebeurt.’
        Om zijn kinderen en kleinkinderen te helpen. En nu, in het verpleeghuis, om zijn behandeling kritisch te volgen. Op zijn laptop die hij alleen overdag nog kon gebruiken. Steunkousen voor zijn benen? Hij zocht uit welk type geschikt was, en hoe ze aangebracht dienden te worden. Waar nodig onderwees hij de onwetenden. Hij waardeerde deskundigheid, maar herkende feilloos knollen voor citroenen.

‘Ik hoop dat jullie… toch een goed leven hebben.’
       ‘Toch’, dat woord gebruikte hij dikwijls. Wat hij zei was overwogen, grondig overdacht. Zijn kinderen en kleinkinderen zaten diep in zijn hart. Maar toch. Zijn leven hield op.

De afgelopen maanden spraken we elkaar wekelijks, naar het einde vaker. Niet in het minst over zijn leven waar hij met mitsen en maren op terug keek.
       ‘Ik heb altijd een laag zelfbeeld gehad. En een moeilijk karakter.‘
       ‘Wat kun jij schelden’, had Henk, mijn vader, tegen hem gezegd. En die kon er zelf ook wat van. André vertelde het zonder gene. Niet om schoon schip te maken. Evenmin met trots. Hij had altijd gezegd wat hij vond, ook als hem dat niet in dank werd afgenomen. Zo oordeelde hij ook over zichzelf.

In de tweede helft van de jaren tachtig had hij een aanvaring met Nieuwenweg, zijn directeur bij de Dienst Bouw- en Woningtoezicht. Hij was hoofd Personeelszaken en voor ingewikkelde brieven werd steevast een beroep op zijn pen gedaan.
       ‘U moet niet boos worden…’ had de directeur op een goede dag gezegd en een paar noten gekraakt over een concept van zijn hand.
       ‘Doe het lekker zelf’, had mijn oom geantwoord en smeet de brief naar zijn baas. Kort daarna kreeg hij een andere functie. Hij vertelde het met smaak – het ontlokte mijn lach – maar ook met een zekere spijt. Toen ik zijn intelligentie roemde, zei hij:
       ‘Als ik een ander karakter had gehad, had ik het verder geschopt. Arrogant vonden mensen me.’
Hij was autonoom, maar allesbehalve overtuigd van zijn eigen positie onder mensen. En nu kwamen bewoners en personeel van het verpleeghuis afscheid nemen. Ze omhelsden hem. Zijn overbuurvrouw huilde. Een ander prees zijn aangename gezelschap, hij zou hem enorm missen.
       ‘Die laatste weken en dagen… ik word kennelijk aardig gevonden’, zei hij. ‘Dat zelfbeeld moet ik toch een beetje herzien.’

Tot de laatste dag was hij scherp, snel van begrip, verbaal zeer vaardig. En kritisch, driftig, soeverein. Allesbehalve een vlieg op de muur. Oom André in een verpleeghuis, geregeerd door de routines van slapen, eten, plassen en poepen. Om twaalf en vijf uur eten in de huiskamer, wat de pot schaft. Ondenkbaar.
       ‘Gisteravond, bij dat vreselijke eten, dacht ik, gelukkig, het is de laatste keer,’ zei hij vanmorgen. ‘Ik wil dit leven niet. Het is een marteling. Elke dag is het een marteling.’

Hij had het heft toch in handen weten te houden en mocht uit het leven vertrekken. Alles uitgezocht op internet. Overlegd met de huisarts met wie hij in het huis een band had opgebouwd. Het afscheid voorbereid met de dominee die hem elke maandag opzocht. De datum geprikt, 27 oktober, half 12 ’s ochtends. De laatste week gevuld met afscheid van familie, vrienden, personeel en bewoners. Hij telde de dagen. Vorige week donderdag, peuzelend aan een saucijzenbroodje, zei hij om half drie ’s middags:
       ‘Gek hè, volgende week om deze tijd ben ik er niet meer.’

Vanmorgen om half elf zaten we in zijn kleine kamer op de vijfde etage. Zijn kinderen, schoondochter, kleinkinderen. En ik, ‘mijn neef, de psycholoog’ zoals hij me in het verpleeghuis aan deze en gene had voorgesteld. Ik hield van zijn verhalen, hij waardeerde mijn luisteren.
       Foto’s van zijn vrouw en kleinzoon. Een brandende kaars. De dominee leidde het ritueel. Woorden die precies pasten. Gebaren die troostten. Knuffels en tranen in zijn laatste uur. Het koor zong Nader tot U mijn Heer, zes keer. De laatste maanden had hij weer een lijntje met de hemel gekregen, had de dominee in het ziekenhuis gezegd.
       Toch.
       Misschien had Frank Sinatra hem langs die weg gesproken. Hij zong My Way. Alsof ik het voor het eerst hoorde, verwoordde hij André’s gevoel. De laatste woorden van een autonome man, staand op de grens, klaar voor de oversteek. De rode draad van onze gesprekken. Hij luisterde, zijn hoofd licht gebogen, zijn gezicht zacht en open.
       ‘Prachtig dominee, dank u’, zei hij.
En we lieten hem in vrede achter.

Twintig minuten later vertelde de arts dat hij rustig was overleden.

Ondertussen 22 januari 2021

XCIX
Avondwandeling
na negen uur
nog geen hond te zien

XCVIII
Een half uur erbij
wat moeten we
zonder de Kamer?

XCVII
We halen adem
eed, song, gedicht
Waarheid is woorden

XCVI
Stel je voor, een bel,
haast je van straat
Ieder – zonder hond

XCV
De kippen op stok
deskundigen
van de avond klok

XCIV
De zon neemt afscheid
het strand spoelt leeg
een bal rolt in zee

XCIII
Zijn woorden spoelen
hersens leeg,
make them great again

XCII
Niet dat het vriest, of
de winter wacht.
Einde van het jaar

XCI
De kerstdis van de
intervisie
Foto’s, een glimlach

XC
Wachten op de prik
streep op de muur
adem inhouden

LXXXIX
Op straat, vrijdagnacht,
etalages,
stille beloftes

LXXXVIII
Een maandje op slot
water en brood,
en ander voorrecht

LXXXVII
Essentiële
boodschap, hoor en
bespeel de ruimte

LXXXVI
Een plastic tas waait
door onze straat
Maandag, december

LXXXV
De straten stromen
vol, de lock down
aan de horizon

LXXXIV
Zijn foto is er,
onze woorden
we nemen afscheid

LXXXIII
Meesterlijk kon hij
zwijgen, elk woord
een blad in de wind

LXXXII
Herinneringen
Je maakt het mee
Nu blijkt het dierbaar

LXXXI
Hij ging met de wind:
tevreden, zijn.
Het gras hier is groen

LXXX
Een rood adresboek
Foto’s zwart wit
Een scheidsrechtersfluit

LXXIX
Als het leven stopt,
zoeken woorden
je afdruk in ons

LXXVIII
Een zucht, de laatste
vredige punt,
rust in je verhaal

Dick van den Berg
12 okt 1930 – 1 december 2020

LXXVII
Eerst verdwijnt ruimte
uit het leven
dan vergaat de tijd
(Voor Dick)

LXXVI
Voorwaarde om thuis
te komen, is
onderweg te zijn

LXXV
Het is schier te geef,
zwarte vrijdag,
Covid uitverkoop

LXXIV
Zaterdag Artis
De mensaap heeft
iets beters te doen

LXXIII
Het archief staat in
de Vijzelstraat
Is niet te missen

LXXIII
De bel, een pakket
een mens gezien
nat van de regen

LXXI
Je geboortedag
Zesentwintig
We koesteren je

LXX
Je werpt een schaduw
die afstand neemt
als de avond valt

LXIX
Ik ga naar mijn werk,
trappetje af,
ontbijt aan de kant

LXVIII
Fuji, Kyoto
een prent, foto’s,
is het echt gebeurd?

LXVII
Archiefonderzoek
verstoppertje
in ruimte en tijd

LXVI
Mijn grootvaders naam
geschreven in
jaar negentien twee

LXV
Dagje beeldbellen
ontmoetingen
met negen vakjes

LXIV
Het Blauwe Theehuis,
raap op de stoep
je loof en koffie

LXIII
Niets is wat het lijkt
Een grote troost
Als alles stil staat

LXII
Zijn knieën geknikt
een kop koffie
man schuifelt op straat

LXI
Het regent vandaag
pijpenstelen
De boom verliest kleur

LX
Een gokje wagen,
besmettelijk?
Het casino zwijgt

LIX
Stil op de A2
het asfalt kerft
een kras in de wei

LVIII
Presidenten gaan
Praatjes blijven
Een wolk drijft voorbij

LVII
Openbaar vervoer
De boot stopte
niet bij de halte

LVI
Niets voorgevallen
wassen, eten
Blad versiert stilte

LV
De vroege morgen,
huizen vangen
kleur op de wangen

LIV
Verandering is…
dat de vos haar
prooi de zege gunt

LIII
De expositie
heeft de deuren
zojuist weer geopend

LII
Belmont heet de lamp
van de tandarts
Buiten zont de herfst

LI
Bij de brug kunnen
we afspreken,
ommetje vliegen?

I – L. 20 maart – 19 mei 2020

L
Het is niet voorbij
vijftig haiku’s
zijn mijn laatste woord

XLIX
Willig besmet zijn
veertig mensen,
vrij en onverveerd

XLVIII
Economie krimpt,
taal groeit per dag:
zie hier gelaatscherm

XLVII
Terrasje pikken
mensen kijken
ogen naar je ziel

XLVI
Kansen te over
de Arena
als stiltecentrum?

XLV
Lang zal het duren
en af en toe
stuift een haiku op

XLIV
Altijd op gehoopt
ook voetbal blijkt
een evenement

XLIII
Controlefase,
overgangsfase,
kies ook een fase!

Op straat wel ieder
van fase
hartelijk gegroet?

XLII
Het raam toont mijn film:
een nieuwe dag.
De wind gaat liggen

XLI
Crimineel vannacht
geliquideerd
Mokum pakt draad op

XL
Exitstrategie,
touwtjes vieren
baasjes uit laten

XXXIX
Virus: de boodschap?
Ruimte, natuur,
minderen, samen

XXXVIII
Eindelijk zicht voor
BN-ers op
anonimiteit

XXXVII
Elke dag zondag
de winkels dicht
vader snijdt geen vlees

XXXVI
Primeur Koningsdag:
dit jaar hopen
we niet op regen

XXXV
Ajax kampioen
in deze tijd
een zekerheidje

XXXIV
Consuminderen
was maar een woord
smaakt het doen naar meer?

XXXIII
De zon lokt ons mee
een passant zegt:
‘We spelen mooi weer’

XXXII
Bedrijf zoekt talent:
bent u mensschuw?
Smetvrees, schermverslaving?

XXXI
Het ís overdraagbaar:
hoop, toewijding
liefde, vertrouwen

XXX
Rutte komt, hoe laat?
vrees, verlangen
naar papa’s woorden

“Prille begin van
de weg terug”,
dwalend door jungle…

… sidderend vangen
we de boodschap
een kat of kado?

XXIX
Kluizenaar zijn we,
holbewoner,
schuilend voor mensen

XXVIII
Een vleermuis of lab?
Complotdenkers’
hebben een speeltje

XXVII
Corona krediet
wie krijgt het niet?
Voor wie het kunst is

XXVI
Eén punt vijf meter
samenleving
past in een haiku

XXV
Op TV zie ik
handen schudden
Rare gewoonten

XXIV
De jonge Rutte
probeert een Geen-
Nieuws-conferentie

XXIII
“Grote Afsluiting”,
Besmette tijd,
je bent gebrandmerkt

XXII
De appelboom smacht:
Mag de bij mijn
bloesem omhelzen?

XXI
Kom-niet-te-dichtbij-
economie:
Stop tutoyeren

XX
‘Verdachte ontsnapt’,
zeggen kranten.
Wie van ons allen?

XIX
Stucen en schuren,
Soezen, schrijven,
Zien, zinnen en zijn

XVIII
Het nieuwe normaal
ontsproten in
abnormaliteit

XVII
Beeldbellen, het werkt
niet alleen, het woord
deugt en is, beeld schoon

XVI
Fluitende vogels
zoeven “s ochtends
op lege wegen

XV
Een app aan je lijf,
de overheid schenkt
ons een Grote Broer

XIV
Corona-lente
omhelzingen
van mijn bloemetjes

XIII
Poëzie, de pijl
die ik schiet in
zelf-isolatie

XII
Persconferenties,
onderdanen
halen boodschappen

XI
Kus de barista
deze keer maar niet.
Nieuwe routines

X
Coronacrisis,
buiten snacken
koude lentewind

IX
Zonder touw op twee
bergen klimmen,
dat is winkelen

VIII
Anderhalf meter
woorden houden
gepaste afstand

VII
Buiten maakt de boom
kleine blaadjes
Het is een begin

VI
In witte huizen
werken helden
en éen dikdoener

V
Zachte lentedag,
verrukkelijk.
Om naar te kijken

IV
Hoe gaat het met je?,
schrijf ik in apps,
mails, hoofd, hart en hier

III
Vandaag het virus
uitgelaten
met and’re baasjes

II
Soo sjel distan sing
het Nederlands
in quarantaine

I
Onbestemde tijd,
alles is nieuw
Tolken werken thuis

Ondertussen 16 november 2020

LXII
Zijn knieën geknikt,
een kop koffie,
man schuifelt op straat

LXI
Het regent vandaag
pijpenstelen
De boom verliest kleur

LX
Een gokje wagen,
besmettelijk?
Het casino zwijgt

LIX
Stil op de A2
het asfalt kerft
een kras in de wei

LVIII
Presidenten gaan
Praatjes blijven
Een wolk drijft voorbij

LVII
Openbaar vervoer
De boot stopte
niet bij de halte

LVI
Niets voorgevallen
wassen, eten
Blad versiert stilte

LV
De vroege morgen,
huizen vangen
kleur op de wangen

LIV
Verandering is…
dat de vos haar
prooi de zege gunt

LIII
De expositie
heeft de deuren
zojuist weer geopend

LII
Belmont heet de lamp
van de tandarts
Buiten zont de herfst

LI
Bij de brug kunnen
we afspreken,
ommetje vliegen?

I – L 20 maart – 19 mei 2020

L
Het is niet voorbij
vijftig haiku’s
zijn mijn laatste woord

XXXXIX
Willig besmet zijn
veertig mensen,
vrij en onverveerd

XXXXVIII
Economie krimpt,
taal groeit per dag:
zie hier gelaatscherm

XXXXVII
Terrasje pikken
mensen kijken
ogen naar je ziel

XXXXVI
Kansen te over
de Arena
als stiltecentrum?

XXXXV
Lang zal het duren
en af en toe
stuift een haiku op

XXXXIV
Altijd op gehoopt
ook voetbal blijkt
een evenement

XXXXIII
Controlefase,
overgangsfase,
kies ook een fase!

Op straat wel ieder
van fase X
hartelijk gegroet?

XXXXII
Het raam toont mijn film:
een nieuwe dag.
De wind gaat liggen

XXXXI
Crimineel vannacht
geliquideerd
Mokum pakt draad op

XXXX
Exitstrategie,
touwtjes vieren
baasjes uit laten

XXXIX
Virus: de boodschap?
Ruimte, natuur,
minderen, samen

XXXVIII
Eindelijk zicht voor
BN-ers op
anonimiteit

XXXVII
Elke dag zondag
de winkels dicht
vader snijdt geen vlees

XXXVI
Primeur Koningsdag:
dit jaar hopen
we niet op regen

XXXV
Ajax kampioen
in deze tijd
een zekerheidje

XXXIV
Consuminderen
was maar een woord
smaakt het doen naar meer?

XXXIII
De zon lokt ons mee
een passant zegt:
‘We spelen mooi weer’

XXXII
Bedrijf zoekt talent:
bent u mensschuw?
Smetvrees, schermverslaving?

XXXI
Het ís overdraagbaar:
hoop, toewijding
liefde, vertrouwen

XXX
Rutte komt, hoe laat?
vrees, verlangen
naar papa’s woorden

“Prille begin van
de weg terug”,
dwalend door jungle…

… sidderend vangen
we de boodschap
een kat of kado?

XXIX
Kluizenaar zijn we,
holbewoner,
schuilend voor mensen

XXVIII
Een vleermuis of lab?
Complotdenkers’
hebben een speeltje

XXVII
Corona krediet
wie krijgt het niet?
Voor wie het kunst is

XXVI
Eén punt vijf meter
samenleving
past in een haiku

XXV
Op TV zie ik
handen schudden
Rare gewoonten

XXIV
De jonge Rutte
probeert een Geen-
Nieuws-conferentie

XXIII
“Grote Afsluiting”,
Besmette tijd,
je bent gebrandmerkt

XXII
De appelboom smacht:
Mag de bij mijn
bloesem omhelzen?

XXI
Kom-niet-te-dichtbij-
economie:
Stop tutoyeren

XX
‘Verdachte ontsnapt’,
zeggen kranten.
Wie van ons allen?

XIX
Stucen en schuren,
Soezen, schrijven,
Zien, zinnen en zijn

XVIII
Het nieuwe normaal
ontsproten in
abnormaliteit

XVII
Beeldbellen, het werkt
niet alleen, het woord
deugt en is, beeld schoon

XVI
Fluitende vogels
zoeven “s ochtends
op lege wegen

XV
Een app aan je lijf,
de overheid schenkt
ons een Grote Broer

XIV
Corona-lente
omhelzingen
van mijn bloemetjes

XIII
Poëzie, de pijl
die ik schiet in
zelf-isolatie

XII
Persconferenties,
onderdanen
halen boodschappen

XI
Kus de barista
deze keer maar niet.
Nieuwe routines

X
Coronacrisis,
buiten snacken
koude lentewind

IX
Zonder touw op twee
bergen klimmen,
dat is winkelen

VIII
Anderhalf meter
woorden houden
gepaste afstand

VII
Buiten maakt de boom
kleine blaadjes
Het is een begin

VI
In witte huizen
werken helden
en éen dikdoener

V
Zachte lentedag,
verrukkelijk.
Om naar te kijken

IV
Hoe gaat het met je?,
schrijf ik in apps,
mails, hoofd, hart en hier

III
Vandaag het virus
uitgelaten
met and’re baasjes

II
Soo sjel distan sing
het Nederlands
in quarantaine

I
Onbestemde tijd,
alles is nieuw
Tolken werken thuis

Ondertussen 15 november 2020

LXI
Het regent vandaag
pijpenstelen
De boom verliest kleur

LX
Een gokje wagen,
besmettelijk?
Het casino zwijgt

LIX
Stil op de A2
het asfalt kerft
een kras in de wei

LVIII
Presidenten gaan
Praatjes blijven
Een wolk drijft voorbij

LVII
Openbaar vervoer
De boot stopte
niet bij de halte

LVI
Niets voorgevallen
wassen, eten
Blad versiert stilte

LXV
De vroege morgen,
huizen vangen
kleur op de wangen

LIV
Verandering is…
dat de vos haar
prooi de zege gunt

LIII
De expositie
heeft de deuren
zojuist weer geopend

LII
Belmont heet de lamp
van de tandarts
Buiten zont de herfst

LI
Bij de brug kunnen
we afspreken,
ommetje vliegen?

I – L 20 maart – 19 mei 2020

L
Het is niet voorbij
vijftig haiku’s
zijn mijn laatste woord

XXXXIX
Willig besmet zijn
veertig mensen,
vrij en onverveerd

XXXXVIII
Economie krimpt,
taal groeit per dag:
zie hier gelaatscherm

XXXXVII
Terrasje pikken
mensen kijken
ogen naar je ziel

XXXXVI
Kansen te over
de Arena
als stiltecentrum?

XXXXV
Lang zal het duren
en af en toe
stuift een haiku op

XXXXIV
Altijd op gehoopt
ook voetbal blijkt
een evenement

XXXXIII
Controlefase,
overgangsfase,
kies ook een fase!

Op straat wel ieder
van fase X
hartelijk gegroet?

XXXXII
Het raam toont mijn film:
een nieuwe dag.
De wind gaat liggen

XXXXI
Crimineel vannacht
geliquideerd
Mokum pakt draad op

XXXX
Exitstrategie,
touwtjes vieren
baasjes uit laten

XXXIX
Virus: de boodschap?
Ruimte, natuur,
minderen, samen

XXXVIII
Eindelijk zicht voor
BN-ers op
anonimiteit

XXXVII
Elke dag zondag
de winkels dicht
vader snijdt geen vlees

XXXVI
Primeur Koningsdag:
dit jaar hopen
we niet op regen

XXXV
Ajax kampioen
in deze tijd
een zekerheidje

XXXIV
Consuminderen
was maar een woord
smaakt het doen naar meer?

XXXIII
De zon lokt ons mee
een passant zegt:
‘We spelen mooi weer’

XXXII
Bedrijf zoekt talent:
bent u mensschuw?
Smetvrees, schermverslaving?

XXXI
Het ís overdraagbaar:
hoop, toewijding
liefde, vertrouwen

XXX
Rutte komt, hoe laat?
vrees, verlangen
naar papa’s woorden

“Prille begin van
de weg terug”,
dwalend door jungle…

… sidderend vangen
we de boodschap
een kat of kado?

XXIX
Kluizenaar zijn we,
holbewoner,
schuilend voor mensen

XXVIII
Een vleermuis of lab?
Complotdenkers’
hebben een speeltje

XXVII
Corona krediet
wie krijgt het niet?
Voor wie het kunst is

XXVI
Eén punt vijf meter
samenleving
past in een haiku

XXV
Op TV zie ik
handen schudden
Rare gewoonten

XXIV
De jonge Rutte
probeert een Geen-
Nieuws-conferentie

XXIII
“Grote Afsluiting”,
Besmette tijd,
je bent gebrandmerkt

XXII
De appelboom smacht:
Mag de bij mijn
bloesem omhelzen?

XXI
Kom-niet-te-dichtbij-
economie:
Stop tutoyeren

XX
‘Verdachte ontsnapt’,
zeggen kranten.
Wie van ons allen?

XIX
Stucen en schuren,
Soezen, schrijven,
Zien, zinnen en zijn

XVIII
Het nieuwe normaal
ontsproten in
abnormaliteit

XVII
Beeldbellen, het werkt
niet alleen, het woord
deugt en is, beeld schoon

XVI
Fluitende vogels
zoeven “s ochtends
op lege wegen

XV
Een app aan je lijf,
de overheid schenkt
ons een Grote Broer

XIV
Corona-lente
omhelzingen
van mijn bloemetjes

XIII
Poëzie, de pijl
die ik schiet in
zelf-isolatie

XII
Persconferenties,
onderdanen
halen boodschappen

XI
Kus de barista
deze keer maar niet.
Nieuwe routines

X
Coronacrisis,
buiten snacken
koude lentewind

IX
Zonder touw op twee
bergen klimmen,
dat is winkelen

VIII
Anderhalf meter
woorden houden
gepaste afstand

VII
Buiten maakt de boom
kleine blaadjes
Het is een begin

VI
In witte huizen
werken helden
en éen dikdoener

V
Zachte lentedag,
verrukkelijk.
Om naar te kijken

IV
Hoe gaat het met je?,
schrijf ik in apps,
mails, hoofd, hart en hier

III
Vandaag het virus
uitgelaten
met and’re baasjes

II
Soo sjel distan sing
het Nederlands
in quarantaine

I
Onbestemde tijd,
alles is nieuw
Tolken werken thuis

Ondertussen in Amsterdam 13 sept 2020

Afscheid

……
Jamine!!!

Stop!!!
Luister!!!
Ok, ok, OKEE!!!

Ik zeg je, luister naar mijn woorden, ik ZEG je

Ja duidelijk!!! DUIDELIJK!!!

Jamine!
LUISTER!!!
Ik leg het UIT!!!

Jamine!!!
Maak me niet kapot hier!!!

Het is kankerduideljjk!!!
Het is KANKERDUIDELIJK!!!
Het is KANKERDUIDELIJK!!!
……

(Op een bankje voor de deur, 3 uur in de nacht).

Ondertussen in Hall, 30 juli 2020

Vakantie in Nederland. In jaren voelde ons land niet zo groot, onze grenzen zo buiten bereik en het buitenland zo ver heen.
Vliegen is opnieuw exotisch, een avontuur voor waaghalzen. Of voor rijke mensen misschien.

In 1973 stappen we voor het eerst in het vliegtuig om in Salou, Spanje zomervakantie te vieren, eng en opwindend ineen. De meeste dingen die opwindend zijn, zijn dat omdat ze ook spannend zijn. En wat eng is, geeft doorgaans enige opwinding . Dat klopte dus samen wel.

Nu vieren we onbezorgd vakantie in Hall. Een natuurhuisje op het erf van vriendelijke mensen, omringd door boomgaard, moestuin, grasveld, borders, boompartijen. Het Nederlandse coulisselandschap in zijn oude schoonheid.

De kinderen zijn bij ons aangesloten. We praten over juli tweeduizend-toen, de zomer dat we …
…. in Namibië, voor dag en dauw in jeeps op pad gaan om woestijnolifanten te zoeken en te vinden…
… in Indonesië, de eerste avond in Yogjakarta aan de rand van een rijstveld eten, de zon daalt, de geur van de avond nestelt zich bij ons en als ik vraag:

“ En, hoe vinden jullie Indonesië?” klinkt een diepe zucht :
“Zó gewéldig.”

…. in Vietnam gevieren in de nachttrein van Hanoi naar Danang slapen. Een paar vierkante meter, groot genoeg voor 2 stapelbedden en een nacht slaap, reizend door Zuidoost Azië….
…. de maisvelden in Italië bij de grens met Slovenië in ons geheugen opslaan, waar we van rotsen in een meertje springen en twee oudere jongens indruk maken op de dochters….
…. in Canada bij de Niagara Falls varen….
…. plannen maken voor Tokyo in het najaar van 2016….

We fietsen door woorden als Ellecom, Loenen, Carolina Berg, Middachten, Avegoor, De Vrijenberg. Namen die je zomaar in Namibië of Zuid-Afrika tegen kunt komen.
En doorkruisen Laag-Soeren, waar mijn grootouders in 1940 een vakantiehuisje huren en met 5 kinderen vanuit de Watergraafsmeer naar toe fietsen. In 1953 logeren mijn pasgetrouwde ouders opnieuw in Laag-Soeren met de drie jongsten uit het grootouderlijk gezin dat inmiddels 8 kinderen telt. In de sporen van de tijd en van mijn familie, hoe zou ik me hier ooit niet thuis kunnen voelen?

Coulisselandschap ja, middeleeuwse kerkjes aan kromme wegen, uitgestrekte bossen, de zandbak van de Veluwe door het ijs in golvende heuvels ineen gedrukt. Sporen van horige boeren die in de 14e eeuw op De Vrijenberg optrekken tegen het gezag, we hoeven geen krant te lezen, we fietsen een rondje en zijn bij.

In Loenen geen Falls maar de grootste waterval van Nederland. Jacobus Craandijk stond hier in 1888 en schreef:

“‘t Is geen Zwitsersche of Noorweegsche bergstroom, die donderend neerstroomt langs magtige klippen en wolken van schuim doet opstuiven in zijn geweldige verbolgenheid. Wij zouden wel dwaas moeten zijn, om iets dergelijks hier op de Veluwe te verwachten en verkeerd zouden we doen, als wij de herinnering aan zulke overweldigende natuurtooneelen ‘t genoegen lieten bederven, dat het gezigt van dezen Loenenschen Waterval ons bereiden kan.” (Nieuwe Wandelingen door Nederland)

Mijn grootouders hebben hier in 1940 met vijf kinderen gestaan. Vier van hen zijn nog in leven.  Ik kijk naar de foto van de reisschrijver. Het ontroert me. Beter had hij het niet kunnen zeggen. 

Binnenkort gaan we naar Schouwen-Duiveland.
Schouwen. Duiveland. Spreek die woorden langzaam uit.

Een landschap krijgt de naam die het verdient, en verweerd door de tijd, gaat de aanleiding op in identiteit. Zoals het leven zelf.

Schouwen-Duiveland, het volgende avontuur lokt.

Ondertussen in Amsterdam, 24 juli 2020

De straat is stil. Amsterdam is bewolkt, de burgemeester heeft gisteren de Wallen droog gelegd. Geen bier in de verkoop, ondernemers en onbezonnen consumenten zijn een krachtige slag toegebracht. De coffeeshops kunnen onbekommerd in alternatieve beneveling voorzien. De Engelse en Duitse persbureaus worden geïnformeerd. 

Tussen de planten voor de deur vind ik twee spijkerbroeken, twee T-shirts, een toilettas en een tube tandpasta, bij elkaar gevouwen en opgeborgen tegen de muur naast de uitbundig bloeiende rozen en lavatera. Het geheel is afgezegend met peuken die als garnering op een maaltijd rondom verspreid liggen in de aarde.

Stille getuigen van een feestje dat steeds intiemer werd? Waarbij het verlangen naar huid zo vlamde dat het de behoefte aan reiniging deed verdampen? Wég met die zeep en borstel, de nacht is lang en alle ballast hinderlijk?

Of….. ik zie dat de toilettas een buitenmaat is en uit buikt…. zijn dit de getuigen van een sluwe kraak nabij, zo voorbereid dat de daders om de hoek kleding wisselden en zich in een oogwenk van uniform én gereedschap hebben ontdaan?

Een paar jaar geleden vond ik in een plantsoen van een naburige straat de klassieke hamer en koevoet, onontbeerlijk om je werk als insluiper naar professionele standaard te kunnen doen. Nu word je in dat beroep niet lastig gevallen met een klanttevredenheid-vragenlijst:

“Mogen we een paar minuten van uw tijd?
”Gaat uw gang, ik ben toch al even bezig met de slotenmaker om de schade te repareren, (dat heeft u keurig kapot gemaakt) en met de politie om aangifte te doen (uw hebt uw sporen netjes weggepoetst)”
”Mijn waardering? Ja, ik zou u zeker aanbevelen aan vrienden en familie”.

We weten dat de opdrachtgevers andere middelen gebruiken om hun waardering te uiten zonder omslachtige vragen te stellen. De Autoriteit Persoonsgegevens kan daar wellicht een rapportje aan wijden als het na Covid ooit weer komkommertijd wordt?

Ik laat de toilettas gesloten, mocht ze al instrumenten van hygiëne bevatten, dan is dat geen garantie dat ze in acht is genomen. En is fantasie niet te verkiezen boven kennis?

Ik leg alles bij het vuilnis waar de tas binnen 5 minuten wordt ontdekt door een stadsjutter die met diepe fietstassen de nalatenschap op de straathoeken inspecteert. Als notaris van het tweede leven geeft hij objecten van waarde door aan een nieuwe eigenaar. De toilettas wordt aan zijn hengsel opgevist, getaxeerd en goedgekeurd. Op weg naar een klus met weinig investeringsmiddelen. Of naar de minnaar die ontwaakt uit het delier van de nacht en een onbedaarlijke aandrang tot kuising ervaart.

De catharsis is nabij.

Ondertussen in Amsterdam, 5 mei 2020

De crisis

Het woonzorgcentrum is op slot. Mijn schoonvader dobbert tijdens de corona-maanden in een aquarium waar geen vis in of uit kan. Alleen de verzorgers strooien voedsel en brengen aandacht binnen bereik. Liefdevol, moedig en trouw. Als de grens met de buitenwereld rimpelt, openen vissen hun lippen om het manna te ontvangen. Mijn schoonvader wacht op zijn beurt.

Als we langs zijn statige pand lopen, proberen we door het glas van de voordeur te kijken. Ik strek mijn nek en zie door een kier de huiskamer met een uitsnede van een man. Hij leest een boek. In rust, zijn ogen naar de bladzijden gericht. Hij is het.
Zoals altijd wanneer we op bezoek komen, leest hij, omgeven door bewoners die onrustig zijn. De buurman herhaalt elke minuut het ene woord dat hij nog kan formuleren. Anderen wisselen zinnen die geen gesprek worden. Mijn schoonvader koestert onverstoorbaar zijn eigen luchtbel. Zien ze hem niet? Niemand die hem aanspreekt, alsof hij getooid is met Harry Potters Onzichtbaarheidsmantel. Misschien heeft hij zijn opleiding op Zweinstein gekregen en houdt hij zich meesterlijk schuil onder de Dreuzels. Wat wij heftig vinden, ontsnapt hij al voordat het hem bezwaart. Zijn bezemsteel heb ik bij het opruimen in Voorburg niet gevonden maar dat zegt natuurlijk niets. Wij toveren niet.

Hij leest nog steeds. We wandelen langs de gracht verder, gerustgesteld.

De communiqués van het centrum volgen elkaar op. Plechtig wordt uitgelegd dat men alles in het werk stelt om de veiligheid van de bewoners te borgen, de regels van de overheid op de voet volgt en mondkapjes derhalve niet nodig zijn, behalve dan wanneer een medewerker onverhoopt ziekteverschijnselen heeft. Dat lees ik nog een keer. En dan nogmaals. Die verzorger mag dan doorwerken, begrijp ik, ziek mét het mondkapje, dat tot dat snotterige moment is aangebroken zorgvuldig achter slot en grendel wordt bewaard. Uit de emails spreekt weinig onzekerheid. Argumenten gestapeld als slecht passende steentjes en gelijmd met beleid. Ook dat hoort bij een crisis. Hoe komt dat beleid bij de verzorgers binnen, die dagelijks langs het ravijn lopen, en wonderwel hun evenwicht en goede moed behouden? Het wekt nog meer ontzag.

Het wonder geschiedt niettemin. Niemand van de veertig bewoners is officieel coronaziek. Mijn schoonvader spreken we via de Ipad die de verzorgers als moderne telefonistes bij de gebelde inprikken:
‘U heeft bezoek!’
Zijn gezicht is op het scherm. Hij is vrolijk, geïnteresseerd en snel tevreden. Na een paar minuten klinkt het:
‘Nou, doe iedereen de groeten en dank voor het bellen, het beste!’

De laatste weken mag er aan weerszijden van een glazen deur worden gesproken. Het is een uitzonderlijke situatie met het corona-virus, dat begrijpt hij. Sinds maart heeft geen bezoeker het woonzorgcentrum betreden. Hij zegt geruststellend:
‘Ja, kijk, dan zijn er een heleboel mensen ziek en dan noemen ze dat een epidemie.’
Problemen zijn er om een kopje kleiner gemaakt te worden. Zijn bezemsteel heeft hij nog.

Ondertussen in Amsterdam, 31 januari 2020

Negen haiku’s bij het afscheid
(voor Jannie)

Jij, gids, gezel, jij
laat ons los, hebt
de dood ontboden.

Onbewolkt ben je,
van bepakking
ontlast, je bent af,

Zie: de horizon.
Broos, begerig
stokt straks je adem.

Je nieuwe vrijer,
volmaakt op tijd,
danst je in de nacht

Waarna je niet meer
bent gevonden,
ons hebt verlaten?

Ben je ontbonden,
los geraakt, van
ons af geslagen?

Ontward, uitgebroken,
verlost, onthecht
of vrij gelaten?

Ik weet het niet, hoe
zeg je dat, je
bent toen Dood gegaan.

Opnieuw begonnen,
ontzet en vrij.
Weg, ben je van mij

Ondertussen in Amsterdam, kerst 2019

Het kerstverhaal

Kerst in het woonzorgcentrum. De oude actrice leest in de huiskamer aan twaalf bewoners het kerstverhaal voor.

Donker woud, sneeuw, wolven. Een barre tocht per arrenslee naar het dorp om voor kerst cadeaus en proviand in te slaan. Een duister sprookje, dat het dozijn toehoorders op de slee doet stappen, dicht bijeen tegen de ijzige wind. Dit willen ze meemaken, het bos doorkruisend, al snel bevangen door de kou en het gehuil van de roofdieren.
Op éen na. In een hoek van de kamer leest een man een boek. Dat doet de oude ingenieur elke dag. Hij ziet de anderen afreizen. Na twee minuten roept hij hard:
“Nou hartelijk bedankt”. Het is wel weer mooi geweest.
Mijn schoonvader verlegt verstoord zijn blik. De man slaat geen acht op hem en staart in zijn boek.

Het kerstverhaal is met inkopen op weg naar het hutje in het ijzige niets. Dan neemt het een dramatische wending. Een vrouw ligt langs de route. Wat te doen? Negeren doet bezwijken. Is er plaats? De slee draagt voorraad en de hoop op een avond vol troost, hoop en liefde. Het is de goede Samaritaan die in het Noorden de gevaren trotseert; de berijder stopt en schikt in. Hij neemt de vrouw aan boord.
Uit de hoek klinkt het:
“Verdomme, wat een onzin!”
Mijn schoonvader schiet uit de slof:
“Hou je mond!”
De man zwijgt. Is hij beduusd? En wat beweegt mijn schoonvader? Hij is opmerkelijk helder de laatste maanden, maar deze slof draagt hij zelden. Geen vertoon zonder beheersing. Publieke ergernis is hem vreemd. En nu deze uitschieter.

Inmiddels bestormen de wolven de slee, de cadeaus worden als schild en munitie ingezet, tot berijder en passagier weerloos staan. De bejaarde toehoorders kijken roerloos toe. Halen ze nog adem?
De ingenieur roept:
“Waar blijft het eten?”
Mijn schoonvader heeft nu alle vrees afgeworpen, de wolven staan in de kamer, de redelijkheid brengt deze slee niet naar de hut, het is nu erop of eronder, hij trekt zijn zwaard:
“Nou is het uit. Kiezen, kiezen!!” En de genadeslag:
“Je blijft of je gaat weg!”
Verbijsterd incasseert de buurman de oorvijg. In stilte hoort hij de goede afloop aan. De wereld zal nooit meer hetzelfde zijn. In de huiskamer is een opponent opgestaan.

De slee bereikt het woonzorgcentrum. Het kerstdiner wordt ongeschonden met alle bewoners genuttigd.

De volgende dag hoort de oude actrice:
“Wat een mooi verhaal heeft u voorgelezen.”
Ze kijkt op en zegt:
“Ik zou het niet meer weten.”

Meer verhalen:

Het is wat veel 

De speech

De tijd

Het nieuwe huis

Tulpen uit Amsterdam

Uit huis

Home sweet home

Riccardo

Levensgenieters

Altijd

De val