Alle berichten van Eric ten Hulsen

Ondertussen in Amsterdam 13 sept 2020

Afscheid

……
Jamine!!!

Stop!!!
Luister!!!
Ok, ok, OKEE!!!

Ik zeg je, luister naar mijn woorden, ik ZEG je

Ja duidelijk!!! DUIDELIJK!!!

Jamine!
LUISTER!!!
Ik leg het UIT!!!

Jamine!!!
Maak me niet kapot hier!!!

Het is kankerduideljjk!!!
Het is KANKERDUIDELIJK!!!
Het is KANKERDUIDELIJK!!!
……

(Op een bankje voor de deur, 3 uur in de nacht).

Ondertussen in Hall, 30 juli 2020

Vakantie in Nederland. In jaren voelde ons land niet zo groot, onze grenzen zo buiten bereik en het buitenland zo ver heen.
Vliegen is opnieuw exotisch, een avontuur voor waaghalzen. Of voor rijke mensen misschien.

In 1973 stappen we voor het eerst in het vliegtuig om in Salou, Spanje zomervakantie te vieren, eng en opwindend ineen. De meeste dingen die opwindend zijn, zijn dat omdat ze ook spannend zijn. En wat eng is, geeft doorgaans enige opwinding . Dat klopte dus samen wel.

Nu vieren we onbezorgd vakantie in Hall. Een natuurhuisje op het erf van vriendelijke mensen, omringd door boomgaard, moestuin, grasveld, borders, boompartijen. Het Nederlandse coulisselandschap in zijn oude schoonheid.

De kinderen zijn bij ons aangesloten. We praten over juli tweeduizend-toen, de zomer dat we …
…. in Namibië, voor dag en dauw in jeeps op pad gaan om woestijnolifanten te zoeken en te vinden…
… in Indonesië, de eerste avond in Yogjakarta aan de rand van een rijstveld eten, de zon daalt, de geur van de avond nestelt zich bij ons en als ik vraag:

“ En, hoe vinden jullie Indonesië?” klinkt een diepe zucht :
“Zó gewéldig.”

…. in Vietnam gevieren in de nachttrein van Hanoi naar Danang slapen. Een paar vierkante meter, groot genoeg voor 2 stapelbedden en een nacht slaap, reizend door Zuidoost Azië….
…. de maisvelden in Italië bij de grens met Slovenië in ons geheugen opslaan, waar we van rotsen in een meertje springen en twee oudere jongens indruk maken op de dochters….
…. in Canada bij de Niagara Falls varen….
…. plannen maken voor Tokyo in het najaar van 2016….

We fietsen door woorden als Ellecom, Loenen, Carolina Berg, Middachten, Avegoor, De Vrijenberg. Namen die je zomaar in Namibië of Zuid-Afrika tegen kunt komen.
En doorkruisen Laag-Soeren, waar mijn grootouders in 1940 een vakantiehuisje huren en met 5 kinderen vanuit de Watergraafsmeer naar toe fietsen. In 1953 logeren mijn pasgetrouwde ouders opnieuw in Laag-Soeren met de drie jongsten uit het grootouderlijk gezin dat inmiddels 8 kinderen telt. In de sporen van de tijd en van mijn familie, hoe zou ik me hier ooit niet thuis kunnen voelen?

Coulisselandschap ja, middeleeuwse kerkjes aan kromme wegen, uitgestrekte bossen, de zandbak van de Veluwe door het ijs in golvende heuvels ineen gedrukt. Sporen van horige boeren die in de 14e eeuw op De Vrijenberg optrekken tegen het gezag, we hoeven geen krant te lezen, we fietsen een rondje en zijn bij.

In Loenen geen Falls maar de grootste waterval van Nederland. Jacobus Craandijk stond hier in 1888 en schreef:

“‘t Is geen Zwitsersche of Noorweegsche bergstroom, die donderend neerstroomt langs magtige klippen en wolken van schuim doet opstuiven in zijn geweldige verbolgenheid. Wij zouden wel dwaas moeten zijn, om iets dergelijks hier op de Veluwe te verwachten en verkeerd zouden we doen, als wij de herinnering aan zulke overweldigende natuurtooneelen ‘t genoegen lieten bederven, dat het gezigt van dezen Loenenschen Waterval ons bereiden kan.” (Nieuwe Wandelingen door Nederland)

Mijn grootouders hebben hier in 1940 met vijf kinderen gestaan. Vier van hen zijn nog in leven.  Ik kijk naar de foto van de reisschrijver. Het ontroert me. Beter had hij het niet kunnen zeggen. 

Binnenkort gaan we naar Schouwen-Duiveland.
Schouwen. Duiveland. Spreek die woorden langzaam uit.

Een landschap krijgt de naam die het verdient, en verweerd door de tijd, gaat de aanleiding op in identiteit. Zoals het leven zelf.

Schouwen-Duiveland, het volgende avontuur lokt.

Ondertussen in Amsterdam, 24 juli 2020

De straat is stil. Amsterdam is bewolkt, de burgemeester heeft gisteren de Wallen droog gelegd. Geen bier in de verkoop, ondernemers en onbezonnen consumenten zijn een krachtige slag toegebracht. De coffeeshops kunnen onbekommerd in alternatieve beneveling voorzien. De Engelse en Duitse persbureaus worden geïnformeerd. 

Tussen de planten voor de deur vind ik twee spijkerbroeken, twee T-shirts, een toilettas en een tube tandpasta, bij elkaar gevouwen en opgeborgen tegen de muur naast de uitbundig bloeiende rozen en lavatera. Het geheel is afgezegend met peuken die als garnering op een maaltijd rondom verspreid liggen in de aarde.

Stille getuigen van een feestje dat steeds intiemer werd? Waarbij het verlangen naar huid zo vlamde dat het de behoefte aan reiniging deed verdampen? Wég met die zeep en borstel, de nacht is lang en alle ballast hinderlijk?

Of….. ik zie dat de toilettas een buitenmaat is en uit buikt…. zijn dit de getuigen van een sluwe kraak nabij, zo voorbereid dat de daders om de hoek kleding wisselden en zich in een oogwenk van uniform én gereedschap hebben ontdaan?

Een paar jaar geleden vond ik in een plantsoen van een naburige straat de klassieke hamer en koevoet, onontbeerlijk om je werk als insluiper naar professionele standaard te kunnen doen. Nu word je in dat beroep niet lastig gevallen met een klanttevredenheid-vragenlijst:

“Mogen we een paar minuten van uw tijd?
”Gaat uw gang, ik ben toch al even bezig met de slotenmaker om de schade te repareren, (dat heeft u keurig kapot gemaakt) en met de politie om aangifte te doen (uw hebt uw sporen netjes weggepoetst)”
”Mijn waardering? Ja, ik zou u zeker aanbevelen aan vrienden en familie”.

We weten dat de opdrachtgevers andere middelen gebruiken om hun waardering te uiten zonder omslachtige vragen te stellen. De Autoriteit Persoonsgegevens kan daar wellicht een rapportje aan wijden als het na Covid ooit weer komkommertijd wordt?

Ik laat de toilettas gesloten, mocht ze al instrumenten van hygiëne bevatten, dan is dat geen garantie dat ze in acht is genomen. En is fantasie niet te verkiezen boven kennis?

Ik leg alles bij het vuilnis waar de tas binnen 5 minuten wordt ontdekt door een stadsjutter die met diepe fietstassen de nalatenschap op de straathoeken inspecteert. Als notaris van het tweede leven geeft hij objecten van waarde door aan een nieuwe eigenaar. De toilettas wordt aan zijn hengsel opgevist, getaxeerd en goedgekeurd. Op weg naar een klus met weinig investeringsmiddelen. Of naar de minnaar die ontwaakt uit het delier van de nacht en een onbedaarlijke aandrang tot kuising ervaart.

De catharsis is nabij.

Ondertussen in Amsterdam, 5 mei 2020

De crisis

Het woonzorgcentrum is op slot. Mijn schoonvader dobbert tijdens de corona-maanden in een aquarium waar geen vis in of uit kan. Alleen de verzorgers strooien voedsel en brengen aandacht binnen bereik. Liefdevol, moedig en trouw. Als de grens met de buitenwereld rimpelt, openen vissen hun lippen om het manna te ontvangen. Mijn schoonvader wacht op zijn beurt.

Als we langs zijn statige pand lopen, proberen we door het glas van de voordeur te kijken. Ik strek mijn nek en zie door een kier de huiskamer met een uitsnede van een man. Hij leest een boek. In rust, zijn ogen naar de bladzijden gericht. Hij is het.
Zoals altijd wanneer we op bezoek komen, leest hij, omgeven door bewoners die onrustig zijn. De buurman herhaalt elke minuut het ene woord dat hij nog kan formuleren. Anderen wisselen zinnen die geen gesprek worden. Mijn schoonvader koestert onverstoorbaar zijn eigen luchtbel. Zien ze hem niet? Niemand die hem aanspreekt, alsof hij getooid is met Harry Potters Onzichtbaarheidsmantel. Misschien heeft hij zijn opleiding op Zweinstein gekregen en houdt hij zich meesterlijk schuil onder de Dreuzels. Wat wij heftig vinden, ontsnapt hij al voordat het hem bezwaart. Zijn bezemsteel heb ik bij het opruimen in Voorburg niet gevonden maar dat zegt natuurlijk niets. Wij toveren niet.

Hij leest nog steeds. We wandelen langs de gracht verder, gerustgesteld.

De communiqués van het centrum volgen elkaar op. Plechtig wordt uitgelegd dat men alles in het werk stelt om de veiligheid van de bewoners te borgen, de regels van de overheid op de voet volgt en mondkapjes derhalve niet nodig zijn, behalve dan wanneer een medewerker onverhoopt ziekteverschijnselen heeft. Dat lees ik nog een keer. En dan nogmaals. Die verzorger mag dan doorwerken, begrijp ik, ziek mét het mondkapje, dat tot dat snotterige moment is aangebroken zorgvuldig achter slot en grendel wordt bewaard. Uit de emails spreekt weinig onzekerheid. Argumenten gestapeld als slecht passende steentjes en gelijmd met beleid. Ook dat hoort bij een crisis. Hoe komt dat beleid bij de verzorgers binnen, die dagelijks langs het ravijn lopen, en wonderwel hun evenwicht en goede moed behouden? Het wekt nog meer ontzag.

Het wonder geschiedt niettemin. Niemand van de veertig bewoners is officieel coronaziek. Mijn schoonvader spreken we via de Ipad die de verzorgers als moderne telefonistes bij de gebelde inprikken:
‘U heeft bezoek!’
Zijn gezicht is op het scherm. Hij is vrolijk, geïnteresseerd en snel tevreden. Na een paar minuten klinkt het:
‘Nou, doe iedereen de groeten en dank voor het bellen, het beste!’

De laatste weken mag er aan weerszijden van een glazen deur worden gesproken. Het is een uitzonderlijke situatie met het corona-virus, dat begrijpt hij. Sinds maart heeft geen bezoeker het woonzorgcentrum betreden. Hij zegt geruststellend:
‘Ja, kijk, dan zijn er een heleboel mensen ziek en dan noemen ze dat een epidemie.’
Problemen zijn er om een kopje kleiner gemaakt te worden. Zijn bezemsteel heeft hij nog.

Ondertussen in Amsterdam, 31 januari 2020

Negen haiku’s bij het afscheid
(voor Jannie)

Jij, gids, gezel, jij
laat ons los, hebt
de dood ontboden.

Onbewolkt ben je,
van bepakking
ontlast, je bent af,

Zie: de horizon.
Broos, begerig
stokt straks je adem.

Je nieuwe vrijer,
volmaakt op tijd,
danst je in de nacht

Waarna je niet meer
bent gevonden,
ons hebt verlaten?

Ben je ontbonden,
los geraakt, van
ons af geslagen?

Ontward, uitgebroken,
verlost, onthecht
of vrij gelaten?

Ik weet het niet, hoe
zeg je dat, je
bent toen Dood gegaan.

Opnieuw begonnen,
ontzet en vrij.
Weg, ben je van mij

Ondertussen in Amsterdam, kerst 2019

Het kerstverhaal

Kerst in het woonzorgcentrum. De oude actrice leest in de huiskamer aan twaalf bewoners het kerstverhaal voor.

Donker woud, sneeuw, wolven. Een barre tocht per arrenslee naar het dorp om voor kerst cadeaus en proviand in te slaan. Een duister sprookje, dat het dozijn toehoorders op de slee doet stappen, dicht bijeen tegen de ijzige wind. Dit willen ze meemaken, het bos doorkruisend, al snel bevangen door de kou en het gehuil van de roofdieren.
Op éen na. In een hoek van de kamer leest een man een boek. Dat doet de oude ingenieur elke dag. Hij ziet de anderen afreizen. Na twee minuten roept hij hard:
“Nou hartelijk bedankt”. Het is wel weer mooi geweest.
Mijn schoonvader verlegt verstoord zijn blik. De man slaat geen acht op hem en staart in zijn boek.

Het kerstverhaal is met inkopen op weg naar het hutje in het ijzige niets. Dan neemt het een dramatische wending. Een vrouw ligt langs de route. Wat te doen? Negeren doet bezwijken. Is er plaats? De slee draagt voorraad en de hoop op een avond vol troost, hoop en liefde. Het is de goede Samaritaan die in het Noorden de gevaren trotseert; de berijder stopt en schikt in. Hij neemt de vrouw aan boord.
Uit de hoek klinkt het:
“Verdomme, wat een onzin!”
Mijn schoonvader schiet uit de slof:
“Hou je mond!”
De man zwijgt. Is hij beduusd? En wat beweegt mijn schoonvader? Hij is opmerkelijk helder de laatste maanden, maar deze slof draagt hij zelden. Geen vertoon zonder beheersing. Publieke ergernis is hem vreemd. En nu deze uitschieter.

Inmiddels bestormen de wolven de slee, de cadeaus worden als schild en munitie ingezet, tot berijder en passagier weerloos staan. De bejaarde toehoorders kijken roerloos toe. Halen ze nog adem?
De ingenieur roept:
“Waar blijft het eten?”
Mijn schoonvader heeft nu alle vrees afgeworpen, de wolven staan in de kamer, de redelijkheid brengt deze slee niet naar de hut, het is nu erop of eronder, hij trekt zijn zwaard:
“Nou is het uit. Kiezen, kiezen!!” En de genadeslag:
“Je blijft of je gaat weg!”
Verbijsterd incasseert de buurman de oorvijg. In stilte hoort hij de goede afloop aan. De wereld zal nooit meer hetzelfde zijn. In de huiskamer is een opponent opgestaan.

De slee bereikt het woonzorgcentrum. Het kerstdiner wordt ongeschonden met alle bewoners genuttigd.

De volgende dag hoort de oude actrice:
“Wat een mooi verhaal heeft u voorgelezen.”
Ze kijkt op en zegt:
“Ik zou het niet meer weten.”

Meer verhalen:

Het is wat veel 

De speech

De tijd

Het nieuwe huis

Tulpen uit Amsterdam

Uit huis

Home sweet home

Riccardo

Levensgenieters

Altijd

De val

Afscheid van Jannie de Weerd

23 maart 1935 – 19 november 2019

Jannie is vandaag overleden. Mijn opleider, tweede moeder, vriendin.

Vijf dagen geleden in het Sarphatihuis sprak ik haar. De laatste keer.
“He!” Haar gezicht trekt langzaam open als ze me ziet. Ze lacht zacht. Even is ze terug, vanuit het elders, waar ze met gesloten ogen op wacht.
“Hoe is het Jannie”?
“Hoe is het?” herhaalt ze. “Ik wil heel graag, heel snel dood”. Ze is rustig en duidelijk, als altijd, geen woord mis te verstaan.

We kennen elkaar sinds 1981. Zij opleider bij de VU, ik student die stage loopt. Studenten sociale psychologie geven trainingen aan eerstejaars. Op elke 3 uur die we in de ring staan, volgt 3 uur supervisie van Jannie. Die dagdelen in 1981 zijn een openbaring. Handen gespreid, gezicht in de wind, ademen en innemen. Ik wist daarna, dít wil ik doen, wil ik begrijpen, wil ik zíjn. Interventionist, trainer, adviseur. In groepen en in organisaties inhoudelijke kwesties “ordenen” en de verhoudingen ten positieve beïnvloeden, “zodat er gewerkt kan worden”. Geen gezweef, geen groei en bloei. Organisaties zitten niet te wachten op psychologie. Sluit aan bij hun taal, hun doelen. Het gaat om “binnenkomen, aansluiten en beïnvloeden”. In die volgorde. Ik hoor het Jannie allemaal zeggen. Beslist, ongecompliceerd en glashelder. Wat briljant is, is onmiddellijk vanzelfsprekend en van grote eenvoud.
Jannie heeft dat grote talent, waarmee ze de krachten ziet die mensen sturen, en het systeem hoort resoneren in de gesprekken die ze voeren. Jannie heeft tot haar laatste dagen haar tweede zicht en gehoor. Tot ons laatste gesprek.

Zes weken geleden is ze gevallen. Ze herstelt in het Sarphatihuis, voor Jannie al snel een eufemisme voor overleven. Ze ligt in een 17e-eeuws paleis voor alleenstaande ouderen, met overkapt plein dat als ontmoetingsplek dient en bij binnenkomst als eerste overgestoken moet worden. Een kolossale kubus, links en rechts verkreukelde mensen, alleen aan een slecht verlicht tafeltje. In gesprek met de stilte, verschrompeld in de ruimte. Niets herinnert in de gangen aan haar historie. Linoleum, Bruynzeeldeuren, gedateerde moderniteit.

In Jannie’s kamer vier bedden gescheiden door gordijnen die de grond niet raken. Jannie vertelt de eerste weken over de huisgenoten, als vreemden die in het studentenhuis vertrouwd raken met elkaars eigenaardigheden. Dagelijkse intimiteit van pijnlijke voeten en zucht naar hagelslag.
“Hoe gaat het Jannie?”
“Waardeloos“, antwoordt ze zonder dralen.
“Want?”
“Ik wil naar huis. Ik vind het verschrikkelijk hier.” Ze sluit haar ogen. Eind oktober, halverwege de ochtend, ze is moe en zoekt naar woorden.
“Heb je de dokter gezien?”
“De dokter, ik weet het niet, dat kan ik niet meer onthouden, dat weet Remmelt ”
Wat vandaag is gebeurd, is verloren, als knikkers die onder het lopen één voor één uit het gat in haar zak rollen. Daar, in de hoek, liggen ze, onbereikbare herinneringen van gisteren en vandaag, bewaard door haar zoon. Afspraken, voorschriften, prognoses.
Ze glimlacht.
“Dat moet toch bijzonder zijn, dat je als kind zo intens de laatste dagen van je moeder meemaakt. Dat is iets dat indruk maakt, dat vergeet je niet”. Ze denkt even na.
“Maar het is goed, want hij is onderdeel van het proces.” Haar geheugen is aangetast, de reflecties ongeschonden, de woorden precies en kostbaar.
“Wat zou je willen Jannie?”
“Willen, er is hier niets te willen, jongen. Het is overleven.” Ze is even stil. 
“Het ligt niet aan de verpleegkundigen, die zijn lief. Maar ze kunnen alleen protocollair luisteren. Als ik iets vraag, kan het alleen als het in de voorschriften past. Is dat niet zo, dan hebben ze heel veel verschillende manieren om nee te zeggen.” Ik kijk haar aan. Zo is het.
”Ik heb besloten me daar niet tegen te verzetten, zodat ik zo snel mogelijk naar huis kan.” Protocollair luisteren. Feilloos benoemt ze het systeem dat door het gedrag gloort en niet bevochten kan worden, alleen verleid. Eerst aansluiten, dan beïnvloeden. Haar tweede zicht en gehoor, het is er nog. Waar krachten belemmeren, zet je ze op afstand, maak je ze kleiner, en waar ze kunnen helpen, geef je ze de ruimte. Tegen vriendin Marjoka zegt ze:
“Nee, we gaan hier geen beleid maken.” Zinloos, geen energie aan verspillen.
Niemand van ons leest het spel als zij. Jannie staat plots weer aan. Het licht breekt door de vermoeidheid, helder, oogverblindend als de najaarszon.

Jannie is vanaf 1981 voor mij 38 jaar lang een bron van inspiratie, richting en advies. Ik schrap het woord ‘geweest’.
Wijsheid bestaat. Jannie’s zeldzame vermogen met een paar woorden gedrag en gedoe te duiden, liet me begrijpen en wees me wat te doen.
“Heb je daar wat aan”? zei ze dan altijd. Niet uit twijfel over haar advies, zo keek ze nou eenmaal naar de wereld. Maar omdat ze even in de kijkdoos van een van haar leerlingen was gestapt, in de arena het paard bij de teugels had gepakt en die nu weer overgaf en losliet.
“Ik ben zeer benieuwd hoe het verder gaat, hou me op de hoogte!”
Zo dacht ze met veel oud-leerlingen mee, begeleidde proefschriften, troostte bij een getroebleerde vriendschap, bleef de bron voor generaties studenten ver in hun werkend leven en in haar pensioen. De zinnen van Jannie worden bewaard in de reistrommel, zijn met hen langs duizenden vergaderingen en ontmoetingen getrokken en hebben in al die organisaties nieuwe bestemmingen en eigenaren gevonden.

In het Sarphatihuis lopen we die laatste weken door de gangen. Bewegen is het ticket naar huis. Steeds sneller vraagt ze na een paar stappen om de rolstoel. De route hernemend, wijst ze rijdend aan wie ze kent en waar de ontmoetingsruimten zijn.
Als we daar binnenrijden voor een kop thee klinkt een luide, schelle stem. Een vrouw steekt een betoog af, woedend, beschuldigend, verward. Jannie glimlacht en antwoordt haar op rustige toon. Weerstand bestaat niet. Ik ben verbaasd, kennen ze elkaar? Met een paar zinnen van Jannie keert het gemak terug in de stem aan de overzijde van de tafel.
“Wie is dat?” De vrouw wijst naar mij.
“Dat is mijn zoon”, zegt Jannie, mijn tweede moeder.
De vrouw neemt het gesprek over, ze heeft vandaag haar dochter gezien, speciaal uit Mexico overgekomen, die is zó goed voor haar.
“Een bééldschone vrouw, die dochter”, vertrouwt Jannie me toe.
Als de woordenvloed van de vrouw aanhoudt, zegt Jannie:
“Zo, ik geloof dat ik weer naar mijn kamer wil”.
Ze laat de thee staan. Als altijd is Jannie duidelijk over haar grenzen.

“Oud worden is niet leuk jongen”, zei ze de laatste jaren steeds vaker.
“Het mag voor mij afgelopen zijn”. In kleine gesprekken in het tehuis haalt ze de laatste weken en dagen die wens steeds dichterbij. Naar huis gaan is voorbij.
Dáarom zegt ze die laatste keer:
“Ik wil heel graag, heel snel dood.”
Ik begrijp dat ze haar keuze onomkeerbaar heeft gemaakt. Het is klaar. Ik zeg haar dat ze veel betekend heeft voor me, al die jaren lang.
“Ja, onze geschiedenis gaat lang terug”, zegt ze zacht en warm. De VU verschijnt even aan haar bed. Ze glundert:
“Mijn werkend leven was toch wel een groot feest.” Ze weegt de woorden alsof ze al sprekend tastbaar worden en de beelden een laatste maal zichtbaar.
“Over de ongemakkelijke dingen voor de vakgroep zei ik altijd: “geef die maar aan mij” en dan hadden we veel pret”.

Als ze hoort dat ik die avond naar Praag ga en vier dagen later terugkom, zegt ze:
“Jij gaat naar Praag, en ik ga…” Ze is stil.
“Waar ben jij dan?”
“Dan ben ik dood. Ik hoop dat jullie glimlachend aan me denken.”

Afscheid Wick van der Vaart

 

4F4C41B7-0B71-4EA1-A426-62F151A768D5
6 maart 1962 – 15 oktober 2017

Wick was onze reisgenoot en minstreel die met rake vragen en verhalen wijsheid en plezier bracht. Ook in uithoeken waar die kennis en verhalen nog onbekend waren.

Als eerbetoon aan Wick wil ik vertellen hoe dat weerklonk in de 3 cirkels waarin we verbonden waren.

De eerste cirkel. Onze gezamenlijke basis, de interventieopleiding van Jannie de Weerd aan de VU.
Die heeft ons gevormd.
Als oud-student verzorgde ik twee dagdelen in de opleiding interventiekunde van Jannie. Zo ontmoette ik in 1992 Wick die nadat hij afgestudeerd neerlandicus was geworden Jannie had aangesproken. Ik kom bij jou studeren, ik wil trainer worden!

De nieuwsgierigheid en gretigheid spatte eraf. Hij wilde weten, wilde dit doen.
Hij had zijn beroepsidentiteit gevonden: mensen begrijpen en ze met interventies in staat stellen met elkaar constructief te werken en te leven.

In groepen, in organisaties, in de samenleving.

Met onze ambities, en twijfels.
Met verschillen in taal en temperament.
Met onze kwaliteiten en beperkingen.

Dat begrijpen begint met onderzoeken.
Niet een opvatting hebben, maar een vraag stellen.
En geloven in mensen en de kracht om het goede te doen.

Een beroepsidentiteit. Ik herkende in Wick hoe diep dat gaat en je nooit meer los laat.

Wick is een van de erfgenamen van Jannie geworden.
Hij is haar in 2000 opgevolgd om de opleiding op de VU voort te zetten, samen met Marjoka van Doorn.
Hij ging naar de VS, naar de plaats waar de wortels van het levenswerk van Kurt Lewin liggen en hij startte zijn Instituut voor Interventiekunde.

Wick is daarmee in de grote traditie getreden die met Kurt Lewin is begonnen, en die Jannie op de VU een eigen succesvolle signatuur gaf voor een grote schare aan studenten. En die tot op de dag van vandaag relevant is.
Lewin wilde na de verschrikkingen van de 2e WO voorkomen dat mensen zich opnieuw zouden scharen achter haat, destructie en autoritair leiderschap.

Zijn sleutel: mensen mondig maken en positieve krachten tussen mensen vergroten.
Interventies zijn daarbij een hulpmiddel: verschillen overbruggen tussen wat wij mensen ZEGGEN over wat we denken, voelen of willen en wat we IN FEITE DOEN.

Wick heeft daar met kracht en liefde , in zijn werk en in zijn leven betekenis aan gegeven.
En authentiek, invoelbaar en herkenbaar aan gewerkt.

De tweede cirkel is het Oor van Van Gogh.
Na de moord op Theo van Gogh groeiden de spanning en tegenstellingen in Nederland.

Wick, Alex, Rita, Henk, Jef, Gert en ik kwamen bij elkaar om te begrijpen wat er in dit land gebeurde. En te zoeken naar interventies. Die laatsten zijn er niet echt gekomen, maar de avonden waren ons dierbaar.

Het engagement van Wick was glashelder: verschillen vragen geen grote woorden, maar contact en onderzoek. Uit vragen ontstaat verbinding tussen mensen, en gezamenlijke betekenis. We hebben allemaal de sleutel in handen voor inclusiviteit.

De derde cirkel is de gemeente Amsterdam.
Wick heeft vanuit zijn Instituut over een lange periode vele opdrachten voor de gemeente gedaan
en zijn sporen in de harten en het handelen van mijn collega’s achtergelaten.

Hij trainde mentoren van de Wibautleergang, coachte teams en was begeleider van gebiedsmanagers en van een aantal traineepools. Per pool twee jaar lang. Dat hield niet op bij het einde van de bijeenkomst.

Wick werd hun persoonlijke coach, en nodigde de groep in de zomer uit in zijn huis in Frankrijk alwaar de lokale disco indruk maakte.
En Wick was een onvergetelijke Elvis op de tien jaar traineepool-reünie.

Ik heb van veel collega’s herinneringen aan Wick meegekregen. Ervaringen die een onuitwisbare indruk hebben gemaakt. Ik citeer er een aantal:

“Wick benadrukt altijd dat hij in mensen gelooft, dat ze meer kunnen dan ze denken. Hij overlaadt ze met complimenten en is veel minder streng voor hen dan ze voor zichzelf zijn. Hij ziet altijd mogelijkheden. En kan het gevoel geven dat je heel bijzonder bent”.

“Wick zegt altijd: gevoelens zijn feiten. Maar als trainee geloofde ik dat nog niet”

“Wick is een geweldige en betrokken begeleider, coach en vriend die van onschatbare waarde is geweest voor de start van onze loopbaan en wiens lessen ik nog dagelijks gebruik.
(…) En ook groter: iemand die heeft bijgedragen aan Amsterdam waarin blijven leren centraal staat”

“Inclusiviteit. Wick heeft mij geleerd en laten ervaren hoe je daaraan vorm kan geven en wat de grote waarde ervan is”

“Change happens one conversation at a time.
En: breng iedereen die betrokken is in een ruimte en voer het gesprek”

“Wick is z’n tijd vooruit met betaling achteraf op basis van, ‘wat vind je het waard’. En natuurlijk: Wick die met het drinken van baco’s het bierdrinktempo van studenten kon bijhouden”

“Je weet pas wat je denkt als je hoort wat je zegt”

“Wick is de beste mentor die ik ooit heb gehad, die ook na de traineepool altijd tijd voor je had als je weer eens ergens tegenaan liep in het werk. Een uurtje koffie met hem was vaak genoeg om alles weer in geheel nieuw perspectief te zien en er weer zin in te hebben”.

“Wick stelt in elk dialoog, elke interactie, elke interventie een waarderende en waardevolle vraag. Zijn waarderende houding vol met nieuwsgierigheid, onderzoekend, respectvol maakte dat dingen/gedachtes op zijn kop werden gezet.
Hij is een meester om daarin te spelen met taal.
Zijn allereerste vraag is altijd bijzonder en openend. Met zijn 1e vraag begint je eigen waarderende onderzoek. Daar kun je niet omheen”.

Tot zover.

Ik hoor in al deze herinneringen en citaten het meesterschap terug van Wick de interventiekundige, die bewogen door de inzichten van Jannie en de traditie van Lewin aan het werk gaat, zijn toon vindt en mensen helpt het goede te doen in hun leven en in hun werk.

Wick heeft ons diep geraakt. Ook in zijn ziekte bleef hij zoeken naar het licht. Hij zei me hoe hij genoot van de liefde van mensen die hem omringden.

En hij zag in zijn ziekbed een kans.

Om eindelijk, samen met Marjoka, de tijd te hebben het boek te schrijven over het vak, zijn werk, de traditie van Lewin en de werkwijze van Jannie waarin we als interventiekundigen zijn opgevoed.

Het boek dat in zijn hoofd al gecreëerd was.
Ik had het hem zeer gegund.

Al is er een grote troost. Wicks boek IS geschreven. Inderdaad, in onze harten en in ons handelen. Zo leeft zijn werk en zijn geest voort.

Wick, het is een voorrecht met je gereisd te hebben. Dank Wick.

1C15B493-CCD1-4241-BBAB-10955D61E4EC

Ondertussen in Amsterdam 14 oktober 2014

65B73A98-AC71-4567-AE0A-021C0C2BF85F

De burgemeester is dood.
Hij heeft ons voorbereid. Hij vertelde Amsterdammers in januari dat hij erg ziek was. En een maand geleden dat hij niet meer genezen kon worden en zijn taken moest neerleggen.
Toen op vrijdag 6 oktober het bericht van zijn dood kwam, viel de rouw over de stad. Opnieuw, en onherroepelijk.

Er was bij leven al voor hem geapplaudisseerd bij zijn huis, de kranten waren na zijn terugtreden dicht beschreven over de verdiensten van deze activistische, optimistische man die zich geen appels voor citroenen liet verkopen en ongenoegen scherp op tafel legde.

Het openbare leed na zijn terugtreden groeide na zijn overlijden tot de stad gedrenkt was in tranen. Tientallen rouwadvertenties, dagenlang. De microfoon van het verdriet vertelde in vele kleine en grote verhalen over onze burgemeester. Over deze warme, driftige, begaafde man. Verliefd op zijn stad. Die slecht tegen kritiek kon. Een meester van het woord was. En een ongebreidelde werklust had. Zichzelf was, thuis, op het stadhuis, in het publieke domein.

Zaterdag 13 uur. Het licht valt binnen in het Concertgebouw, en het applaus stroomt de zaal in. Amsterdammers die de kist naar de zaal gedragen zien, klappen hun handen rood. Zoals later die dag ook in de Arena gebeurt voor aanvang van Ajax-Sparta. Een minuut klappen zo hard je kan, het is voor de burgemeester he? Het gaat door nadat de scheidsrechter aangeeft dat het zo goed is.

Deze man was veel meer dan lief, maar hij heeft dat woord wel gemunt. Hoe bijzonder is dat in deze tijd?

Hij heeft het woord in ons hoofd achtergelaten door deze maanden Amsterdam en de Amsterdammers lief te noemen en ons te vragen goed voor de stad en elkaar te zorgen.

Alleen als je een grote autoriteit bent, kan je zachtheid zo bij anderen binnenkomen.