Ondertussen in Osaka, mei 2018

We reizen 1430 km van Hakodate naar Osaka, in een lange streep naar het zuiden.
We verlaten het eiland Hokkaido door de tunnel onder de straat van Tsugaro, naar Honshu, het  grootste hoofdeiland van het oude Japan.
Bergen, rijstvelden, en het donker van al die gegraven doorgangen die de Shinkansen naar Tokyo doen snellen.

In Tokyo stappen we over en zijn om 18.30 in hotel Rozy in Namba, Osaka, 10 uur na ons vertrek uit Hakodate.
Van Amsterdam tot de Spaanse grens.

Terug in Osaka, dat alles van de wereldstad heeft.

Wolkenkrabbers tussen het grut van naoorlogse bouw., totempalen van het vooruitgangsgeloof.

Mensen die in golven van eb en vloed aanspoelen op een kruispunt. Elke minuut weer. En hier aarzelt de enkeling niet door rood licht te lopen, uniek voor Japan. Fietsers schieten voorbij op de stoep.
Grote steden zijn van zichzelf, hebben genoeg aan hun eigen identiteit, en maken een eigen spel.

Drie jongens spelen buiten Namba-station melodieuze pop, bezield als Romeo’s onder het balkon.
De Julia’s hebben vanavond haast, een jonge man met een hoedje staat stil en beweegt zachtjes zijn hoofd.

Hoedjes zijn het nieuwe token van jongeren,  van alle leeftijden.
Er zit hier kleur in het haar, kleding is een boodschap.

Osaka is geweldig.

Wat is dat toch? In de natuur het verlangen naar beweging, in de stad het zoeken naar stilte.
Contrasten zijn een bron, maken nieuwsgierig, zetten aan tot verbeelden, verdiepen en opnieuw begrijpen.

Beton gezet in licht en water, abstracte kunst in de natuur, het schone verval.
Het plezier van bekende woorden in andere context, de blik van een individu in de massa. Wie wil zien, wordt uitgedaagd. Niets is wat het lijkt, met de lijst verandert het schilderij.

Hakodate

 Arte Piazza, Bibai

Namba, Osaka

Osaka

Leve de grotle stad. In deze reis een contrast met de rauwe natuur en het kleinsteedse van Hokkaido.

Tachtig procent van de Japanners woont in de agglomeraties rond Osaka/ Kyoto en Tokyo.
Vanuit Osaka trek je in alle windrichtingen sporen naar bijzondere creaties.
We vinden ze aan de rand van een dorp tegen een bergwand. In het bos, kilometers uit de bewoonde wereld. En in het hart van de stad.

We forensen naar Ibaraki, naar de Kerk van het Licht van Ando, door bomen omgeven en bloeiend in een woonwijk die zich het Amsterdam Zuid van Oska toont. Grote huizen met rondom groen, en ja, daar is de Landrover, keurig verpakt in zijn wolletje, schuilend onder een afdakje. SUVs doorkruisen de kleine straatjes. Kinderen worden opgehaald en afgezet.

Naar Ishiyama voor het Miho Museum van Pei, dat zich verscholen achter een berg alleen laat benaderen door een met metaal beklede tunnel, die pas op het laatst het zicht op Pei’s schepping onthult.

 

 

We zien er de maskers van het eeuwenoude Japanse theater.  De uitdrukkingen zijn verbluffend sprekend.  En je bent wie je toont, inwisselbaar voor tientallen andere.

Een half uur van Osaka ligt Himeji met haar befaamde kasteel en het park Koko-en waar de tuinen van de samoerai nog steeds het sprookje vertellen van de goddelijke natuur, waarin alles betekenis heeft.

Het Museum van Literatuur van Ando, ook in Himeji, verleidt ons om omgeving en bouwwerk voortdurend in een ander perspectief te zien. Het legt met lijnen en licht steeds nieuwe beelden op je netvlies.

 

 

We zien er een tentoonstelling met een man-vrouw-thema. Woeste samoerai, lijdende geisha. Op de museumgrond staan drie antieke huizen. Een ervan behoorde aan een van de schrijvers die in het museum worden belicht.

Ibaraki, Ishiyama, Himeji. Steeds keren we terug in Osaka. Vanuit de vingers naar de palm van de hand.

Al die creaties trekken aan me voorbij.
Op het aambeeld van grote geesten is cultuur gemengd met licht, water, geloof en natuur en gesmeed tot stilte, tot een juichkreet, en schoonheid.

Ik onderga het en probeer het te vangen.
Niets is wat het lijkt. En alles is waarneembaar.
Ik voel het met mijn ogen, ik zie het met mijn hart.

Japan, mei 2018.

Ondertussen in Utoro, Shiretoko, mei 2018

De Zee van Okhotsk. Een vreemde naam van een onbekende zee. Eerder rauw dan exotisch. Een echo, van ver weg.  En nu is het vreemde dichtbij.
Ik heb haar naam de afgelopen dagen onder foto’s geschreven. Steeds weer. Als een smaak die tintelt op de tong,  rond zingt in je mond.
Proeven, niet kauwen.

We zien de Zee als we de gordijnen openen. Een paar rotsen, kalm water, gekamd door de wind, verzilverd door de zon. Aan de overzijde liggen onzichtbaar voor ons Sachalin en door Japan betwiste Russische eilanden. Weten is zien.

In maart lag hier nog drijfijs, waar de zeehonden hun jongen op groot brengen. We zien in de omgeving laag in het groen nog allerlaatste sporen sneeuw. Planten en bomen lopen uit en maken een groeispurt.

Ze hebben hier maar kort, van mei tot oktober. Het schiet de grond uit, een sprint competitie van groen leven.

Wandelend rond de 5 meren zien we nu nog de besneeuwde bergtoppen, die zich opmaken in het water.

Over tien dagen is alles dichtgegroeid.

Dit is het schiereiland Shiretoko, sinds 13 jaar werelderfgoed . Veel inwoners stammen af van de Ainu. De naam Shiretoko betekent in hun taal Einde van de wereld. De taal die nauwelijks meer wordt gesproken maar voortleeft in het landschap.

Er zijn een paar wegen. Grote delen van het eiland zijn onaangeraakt, en niet toegankelijk.
Japanners zien dit als de laatste oer-natuur van hun land.

Het is de habitat van de bruine beer, die hier leeft bij duizenden. Ze vinden nu nieuw voedsel, jonge scheuten, en zwermen uit over het eiland. Vorige week nog aan de kustlijn bij ons hotel

Met een gids lopen we door moeras en bos naar de 5 meren. In mei mag je hier niet alleen lopen. De winterslaap der beren is nu meer dan voorbij.

We weten, Japanners houden niet van risico. En het bijgeloof dat je met regels, formulieren en borden de wereld beheerst, wordt hier nog zwaar beleden. Het bezweert angst, niet de realiteit, zegt de Nederlander maar hier disciplineert het en voeg je je in de groep. Zoals antilopen op de grote vlakte de massa als schild gebruiken tegen de leeuw.
Ik geef me graag over. Angst en bijgeloof zijn dierbare vrienden.

We ondertekenen een uitgebreide verklaring over passend gedrag opdat we geen beer op schoot nodigen. En we wijzen een contactpersoon aan, mochten we toch Bruno’s middaghapje worden. Een instructiefilm hamert het er nog eens in. De Koreaans-Japans-Amerikaanse familie met wie we de tocht maken, lacht er hartelijk om. We delen meteen een wens: we willen niets liever dan beren zien.

Als rechtgeaarde toerist, vertrouwen we onze veiligheid toe aan de nobele gids, Temasu.

Zij is door de wol geverfd en klapt bij elke onoverzichtelijke bocht. Geen polonaise vandaag. Het is hopen op een luie beer, maar het blijft bij een afdruk van een klauw in een boom, en een verdwaald hertje.

De Koreaan heeft lang in Los Angelos geleefd. Nu woont hij met zijn Japanse vrouw in Sapporo.
Ik vraag of hij de Buddha van Ando kent, op een begraafplaats net buiten Sapporo.  Het was onze eerste bestemming na aankomst in Hokkaido.

Het Buddha-beeld ingedaald in een heuvel van lavendel, als door een warme deken omhuld, alleen kruin en oren zijn onbeschermd van verre zichtbaar.
De vijver en de tunnel naar de voet van de Buddha, heilige weg naar een eenzaam beeld.

Verbaasd kijkt hij me aan. Hij heeft er nooit van gehoord.

Gelukkig vraagt hij niet of ik de molens van Kinderdijk ken.

In het donker lopen we langs de Zee naar het hotel. Een vos steekt rustig over.

De lucht is zilt en zuiver.

Ondertussen in Tomamu, mei 2018

Tomamu. Soms leidt een reis naar een plek die je je later in detail herinnert. Opgeborgen in een laatje van je geest dat opent door een enkel beeld of woord.

De toevallige ontdekking dat de trein die dag Tomamu aan doet en we een paar uur een tussenstop kunnen maken.

De zoektocht naar de locatie. Een wandeling van 25 minuten met bagage vanaf het station, dat niet meer dan een perron is, een streep tegels langs het spoor, zonder kluisjes, zonder openbaar vervoer, of huizen in de omgeving.

We hebben geluk, de shuttle-bus van het grote ski-hotel rijdt ons met koffers heen en terug, ook al zijn we niet hun gasten. En precies op het moment dat we arriveren, wordt ons reisdoel een half uur opengesteld voor bezoek. Vandaag geen trouwerij, we kunnen niet alleen de buitenkant zien maar ook in de ruimte treden.

Ik herinner me de stappen achter het hotel afdalend naar een lange, glanzend betonnen muur, de lichte motregen, de Japanse vrouw met camera en bril die als eerste foto’s maakt. Ik hou even mijn pas in. Dan volgen we de muur. Ik leg mijn hand er op, zoals altijd. Het is koel en glad.

Als ik de hoek omsla, sta ik stil. Gestileerd water tegen een achtergrond van besneeuwde bergen. Het beeld valt in mijn hoofd.

Dan zie ik de twee kubussen, de kleine boven, voorzien van 4 kruizen, de grote onder, aan het water, uitziend op een monumentaal kruis dat midden in de vijver staat.

Binnen drie betonnen muren en een glazen wand die langzaam open schuift naar de natuur. Muziek van Bach zingt door de ruimte, Air. Johan Sebastiaan moet het hier, in deze sereniteit, hebben gecomponeerd.
In dit intieme meesterwerk.

The Church on the Water van Tadao Ando.

Ondertussen in Kushiro, mei 2018

In een taxi in Kushiro stad in het oosten van Hokkaido. Langs de vierbaanswegen reclames, restaurants, autobedrijven, parkeerterreinen. Het beeldmerk van een Amerikaanse stad.

We zien uit ons hotelraam de Stille Ocean. Op deze breedtegraad ligt aan de overzijde van het water Salt Lake City en heet het water the Pacific.
Maar we zijn in het uiterste noorden van Japan.

Eind 19e eeuw trokken Japanners naar dit onherbergzame land van sneeuw, moeras en bergen, en koloniseerden het.

Waar je nu op een dijkje wandelt door de drassige delta rond Kushiro, werd in de jaren 20 van de 20e eeuw een spoorlijn aangelegd om het binnenland bereikbaar te maken voor de nieuwe bewoners. Die lijn is 40 jaar later weer opgeheven.
Een zekerheid van vooruitgang is dat ze ooit gedateerd zal zijn.

Nieuwe bewoners, want de oorspronkelijke bevolking van Hokkaido, de Ainu, werd uit de geschiedenis geschrapt, haar taal en cultuur uitgegumd. Erger is er niet, met de woorden verdwijnt de betekenis, de geschiedenis en de ziel van een volk.
Tegenwoordig is er bescheiden erkenning van hun bestaan. In Sapporo zagen we in de Botanische tuin (aangelegd in een voormalig moeras) een kleine tentoonstelling van kleding en gebruiksvoorwerpen. Maar geen verhalen, geen helden, de lijn die ze in de tijd hebben getrokken, is doorgeknipt en onzichtbaar geworden.

De steden in Hokkaido zijn op de moderne tekentafel ontworpen, goeddeels in de 20e eeuw. Een grid met straten die haaks op elkaar staan, vierkante blokken vormend waarbinnen zonder enige beperking gebouwd kan worden. Hoog, laag, op de rooilijn of erachter, winkel, kantoor, woning, mooi of lelijk.
Wat toen is gebouwd, is waarschijnlijk alweer neergehaald en vervangen door exemplaren uit de catalogus van de wegwerp-architectuur.

In Kushiro is het resultaat een stad zonder ziel, alsof een grote reus wild om zich heen heeft geslagen. Vrijwel geen straatwand in de buurt is compleet. De lege plekken zijn keurig geasfalteerd. De parkeerterreinen zijn zo talrijk dat auto’s erin verdrinken.

Op één plek is het asfalt versierd met houten zitjes in een aanzet tot een pleintje. Aan weerszijden twee gebouwen die samen City hall vormen. De Stopera is daarbij vergeleken een paleis van goud en glas. Mannen en vrouwen in blauw en grijs schieten naar binnen. Ik stel me voor hoe ze hier in de pauze hun miso- soep lepelen.

Nu houden Japanners van slopen en opruimen en zit er doorgaans in straatwanden weinig historie en collectief ontwerp. In de steden op de andere hoofdeilanden wordt de moderniteit verzacht door de smalle straatjes, de groene accenten, een iconisch gebouw en de tori’s, poort naar een achterliggende tempel. Niets van dat alles hier. Alhoewel….

Zelfs als de zon schijnt, lijkt de stad ontworpen voor verweer tegen wind, kou en regen.
De mensen lopen snel, de straat is leeg of een noodzakelijkheid.

Het is een fascinerend schouwspel en door en door functioneel.
De winters zijn hier immers bar. Het is mei en de kleine bomen vormen net de eerste knoppen. Het gras is geel. En waar in Tokyo ieder laagbouwhuis op een postzegel van ruimte toch een boompje naast zich weet, is dat hier een uitzondering. De openlijke adoratie van de natuur, de verfijning van de Japanse parken lijken de kolonisten te hebben achtergelaten bij hun trek naar het Noorden.
Kushiro heeft zich op haar manier gevormd naar de natuur, door de gevels te sluiten en de moerassen te dempen met teer en grint.

Het zal ze een zorg zijn. Deze stad hoeft zich voor niemand op te doffen. Er is een haven, ze is provinciehoofdstad en het heeft dan toch één grote troef, de rode Japanse kraanvogel. Ze broedt in deze moerasdelta. En nergens anders in Japan. En ze is van grote schoonheid.

De reden van onze komst naar Kushiro.

In de winter trekken de vogels vanwege hun zichtbaarheid en paringsdans grote aantallen toeristen. Een paar blijft elkaar levenslang trouw. Dat maakt de vogel het symbool van de liefde.

Dit jaargetijde houden ze zich schuil bij hun nesten. Na een dag speuren in de omgeving zien we uiteindelijk een paar fraaie vogels en hun kuiken.
Delicaat stappen ze door het gras.

Het kuiken kruipt op de rug van haar moeder, onder haar vleugels en steekt haar kopje uit.

Schoonheid behoeft geen context.

Kushiro zullen we nooit meer vergeten.

Ondertussen naar Japan, mei 2018

Het schermpje in de stoel van de Boeing toont een hoepeltje: Amsterdam – Osaka.
We springen in 10 uur 45 minuten naar de andere kant van de aardbol, hier getekend met diepblauwe zeeën en groen vlekkerig land, omringd door een blauw oplichtende dampkring.

Het is de tijdmachine van professor Barabas. Hop, flits, boem, daar stappen Suske en Wiske een andere wereld in. In een nieuwe tijd.

Als ik dit schrijf, is het in de uiteinden van de boog middag en avond. Wat is de tijd? Die speelt een spel, wisselt van gedaante, snelt vooruit en laat zich niet vangen. Gisteren was het vandaag, precies zoals nu. En morgen zal ook vandaag zijn. Alle dagen, miljoenen jaren lang zijn gisteren geweest, en ook vandaag. En op de eerste dag na, waren ze ooit morgen.
Over een paar uur is het dat in Osaka, morgen, als het in Amsterdam nog vandaag is. Of is het in Amsterdam dan gisteren? Voorop lopen krijgt zo een heel nieuwe betekenis.

De komende weken ronden wij alvast de dag af in Japan terwijl Europa daar nog even mee doende is. Voorop lopen geeft verantwoordelijkheden. Dat begrijp ik.
We kunnen de oude beschaving – on-tijdig – vertellen wat er gebeurt.
We zijn uit de tijd.

Ah, kijk op het scherm, het is onze glazen bol. Reizen door de tijd, ervaringen op de hielen zitten en herinneringen verzamelen om verhalen te vertellen. Hoe simpel en vreedzaam kan het zijn?

Ik verheug me erop.

– o –

Op reis dus. Naar Japan,  via Osaka naar Sapporo. Naast me twee Japanse vijftigers.
De vrouw glimlacht naar het scherm. Een goede film misschien. Of het verlangen naar thuis, nu onder handbereik. Ik verbeeld me dat te herkennen. Als ik Japan binnentreed, daalt er een zeldzame rust neer. Een deken van kalmte en schoonheid. Varen op een rustige rivier. Alertheid, of stuurmanskunst niet vereist. De stroom stuurt zichzelf. Zoals het befaamde kruispunt in Shibuya, Tokyo, oversteken met  duizend mensen op 5 zebra’s, zachtjes bewegend op het ritme van de massa.

Het verlangen naar simpelheid, de bevrediging iets te begrijpen met éen zin, het geluk te duiden met één, één enkel woord.

Op weg naar de kalme rivier.

Ondertussen in Amsterdam, mei 2018

Mijn schoonvader is weer gevallen en opgeraapt. Opgenomen, verward en verzwakt. Zijn kracht is vergaan en in het revalidatiecentrum zoekt hij vrijheid en herstel

In de lentezon rijd ik hem naar een windstil plekje naast bloeiende struiken. Hij is doof en dichtbij zijn gezicht stel ik vragen.

Hij vangt vertraagd de woorden en denkt na.
In zijn antwoorden schemeren feiten, de dokter die sprak, de gehoorspecialist die verdween, de buurman die kwam.

Zo zal het zijn. Terug bij de ingang staat een vrouw op de stoep en zuigt zachtjes aan een sigaret. Een smal gezicht, gedeukte wangen.
De kleur is uit haar gelaat gelopen. Ik groet haar.
Ze knikt terug, van ver weg.
Ik heb haar gezien.

Het is hier al   tijd.
Het is vandaag niet gisteren, het wordt niet
morgen en zelfs niet vandaag.
Het is dagelijkse eeuwigheid. De redeloze tijd zonder begin of einde, die alleen momenten kent.
Zoals nu, nu de zon schijnt en bewoners voorzichtig over de drempel stappen om te zien of de wereld er nog is. Ze nemen zichzelf mee, meer is niet nodig en dat is, wat er is. De kale plek op haar hoofd, het slangetje in zijn neus, de stoel die haar rolt.
Een vrouw zit halverwege de gang stil. Ze wacht en sluit haar ogen. Het is veel

Buiten ontvangt iemand de vroege zon op witte wangen, een ander leest de krant. Zoals altijd.
Ik scheer de plukken baard die mijn schoonvader op goed geluk niet kon vinden.
Ik laat hem achter met de tijd.