Ondertussen in Amsterdam, 28 november 2018

Een kop koffie in het woonzorgcentrum.
Mijn schoonvader kijkt voor zich uit. Zoekt hij woorden? Zijn ogen maken contact met de ruimte. Tussen ons in twee kopjes op een tafeltje.
Ik wacht. Ik weet, hij neemt de tijd.
Op zijn gezicht geen begin van een gesprek.
Geen frons die vooraf gaat aan een verzuchting. Geen glimlach die een anekdote aankondigt.
Hij kan meesterlijk zwijgen.
Ik volg zijn blik. De oude kunstenares zit gebogen over haar telefoon.
‘Hoe kan dat nou, ik begrijp er niets van’. Haar stem vult de ruimte. Maar het apparaat luistert niet.
Het gemopper vormt een wolk, en druppelt onmacht.
Ik sta op en zie dat datum en tijd een avond in 2012 aangeven. Een ander leven. Herinneren kan troosten. De telefoon probeert het, maar vergeefs.
Je kunt maar beter onder ogen zien hoe laat het is.
Ik zet de data in het nu. Ze kijkt op het display en herhaalt wat ze leest:
‘Is het 20 over 11? En vandaag 28 november?’ Als ik het bevestig, glundert ze.
‘Zo zie je maar, je moet een man om je heen hebben.’
Mijn schoonvader keert terug van de WC. Zal ik haar stoel bij hem aanschuiven? Ze pakt haar mobiel, belt een naaste en het moment is voorbij. Ik hoor haar zuchten:
’Wat zal ik zeggen, ik ben ongelukkig’.
Ik kijk naar mijn schoonvader.
Zijn gezicht is windstil. Zwijgen is leven.

Ondertussen in Amsterdam, 4 november 2018

Zondagmorgen

Een bleke zon tuimelt over de daken van de gracht. De herfst tintelt op mijn gezicht, een koel washandje langs mijn wangen. Ik fiets.
Elf uur, de stad ontwaakt. Ik sla linksaf de Prinsengracht op. Toeristen bewegen van Leidseplein naar Anne Frank huis, en terug. De Ramblas van de grachtengordel.
Een bestelauto remt voor een verkeersdrempel, geeft gas, remt, geeft gas. Ik volg, rem, schakel. Een dansje van vijf minuten.

Bij de kruising met de Haarlemmerstraat verdwijnen de auto’s in de donkere mond van het viaduct. Links en rechts fietsers, scooters, bezoekers van de winkelstraat. Toeristen steken aarzelend over, niet wetend waar te kijken, vrezend voor de fietsers, de wilde dieren van het verkeer die je onverhoeds bespringen. Drugs, hoeren, fietsers, de toeristische obsessies van het vrijzinnige Amsterdam.

Aan de overzijde van de Korte Prinsengracht het fietspad naar de eilanden. Tien vierkante meter bloementuin in een driehoek naast het spoor. Een woonboot achter een tuinhekje. Fietsen bij de squash-hal. Ik stap af. In mijn hoofd kaatst de bal in de hoek en valt dood. Punt. Ik pak mijn racket en ga naar binnen.