Ondertussen in Amsterdam, 27 oktober 2022

André de Vries, 4 juni 1926 – 27 oktober 2022

‘Ik hoop dat jullie… toch een goed leven hebben’, zei mijn oom André vanmorgen. Zesennegentig jaar oud woonde hij nog zelfstandig. Tot hij viel. Sinds vier maanden was hij aan een rolstoel gekluisterd. Opgenomen in een verpleeghuis en afhankelijk van hulp. Voor toiletbezoek. Om in bed te komen. En op te staan. Soms lag hij dertien en een half uur plat. Van negen uur in de avond tot half elf de volgende morgen. Hij was een nachtmens, las thuis na middernacht het nieuws, schreef apps en mails. Nu telde hij de uren, starend naar het plafond, de pijn in zijn benen verbijtend.

Een onderzoeker was hij. Nieuwsgierig, spitte het internet af op kennis en inzichten. Om zich te informeren.
       ‘Ik weet precies wat in de wereld gebeurt.’
        Om zijn kinderen en kleinkinderen te helpen. En nu, in het verpleeghuis, om zijn behandeling kritisch te volgen. Op zijn laptop die hij alleen overdag nog kon gebruiken. Steunkousen voor zijn benen? Hij zocht uit welk type geschikt was, en hoe ze aangebracht dienden te worden. Waar nodig onderwees hij de onwetenden. Hij waardeerde deskundigheid, maar herkende feilloos knollen voor citroenen.

‘Ik hoop dat jullie… toch een goed leven hebben.’
       ‘Toch’, dat woord gebruikte hij dikwijls. Wat hij zei was overwogen, grondig overdacht. Zijn kinderen en kleinkinderen zaten diep in zijn hart. Maar toch. Zijn leven hield op.

De afgelopen maanden spraken we elkaar wekelijks, naar het einde vaker. Niet in het minst over zijn leven waar hij met mitsen en maren op terug keek.
       ‘Ik heb altijd een laag zelfbeeld gehad. En een moeilijk karakter.‘
       ‘Wat kun jij schelden’, had Henk, mijn vader, tegen hem gezegd. En die kon er zelf ook wat van. André vertelde het zonder gene. Niet om schoon schip te maken. Evenmin met trots. Hij had altijd gezegd wat hij vond, ook als hem dat niet in dank werd afgenomen. Zo oordeelde hij ook over zichzelf.

In de tweede helft van de jaren tachtig had hij een aanvaring met Nieuwenweg, zijn directeur bij de Dienst Bouw- en Woningtoezicht. Hij was hoofd Personeelszaken en voor ingewikkelde brieven werd steevast een beroep op zijn pen gedaan.
       ‘U moet niet boos worden…’ had de directeur op een goede dag gezegd en een paar noten gekraakt over een concept van zijn hand.
       ‘Doe het lekker zelf’, had mijn oom geantwoord en smeet de brief naar zijn baas. Kort daarna kreeg hij een andere functie. Hij vertelde het met smaak – het ontlokte mijn lach – maar ook met een zekere spijt. Toen ik zijn intelligentie roemde, zei hij:
       ‘Als ik een ander karakter had gehad, had ik het verder geschopt. Arrogant vonden mensen me.’
Hij was autonoom, maar allesbehalve overtuigd van zijn eigen positie onder mensen. En nu kwamen bewoners en personeel van het verpleeghuis afscheid nemen. Ze omhelsden hem. Zijn overbuurvrouw huilde. Een ander prees zijn aangename gezelschap, hij zou hem enorm missen.
       ‘Die laatste weken en dagen… ik word kennelijk aardig gevonden’, zei hij. ‘Dat zelfbeeld moet ik toch een beetje herzien.’

Tot de laatste dag was hij scherp, snel van begrip, verbaal zeer vaardig. En kritisch, driftig, soeverein. Allesbehalve een vlieg op de muur. Oom André in een verpleeghuis, geregeerd door de routines van slapen, eten, plassen en poepen. Om twaalf en vijf uur eten in de huiskamer, wat de pot schaft. Ondenkbaar.
       ‘Gisteravond, bij dat vreselijke eten, dacht ik, gelukkig, het is de laatste keer,’ zei hij vanmorgen. ‘Ik wil dit leven niet. Het is een marteling. Elke dag is het een marteling.’

Hij had het heft toch in handen weten te houden en mocht uit het leven vertrekken. Alles uitgezocht op internet. Overlegd met de huisarts met wie hij in het huis een band had opgebouwd. Het afscheid voorbereid met de dominee die hem elke maandag opzocht. De datum geprikt, 27 oktober, half 12 ’s ochtends. De laatste week gevuld met afscheid van familie, vrienden, personeel en bewoners. Hij telde de dagen. Vorige week donderdag, peuzelend aan een saucijzenbroodje, zei hij om half drie ’s middags:
       ‘Gek hè, volgende week om deze tijd ben ik er niet meer.’

Vanmorgen om half elf zaten we in zijn kleine kamer op de vijfde etage. Zijn kinderen, schoondochter, kleinkinderen. En ik, ‘mijn neef, de psycholoog’ zoals hij me in het verpleeghuis aan deze en gene had voorgesteld. Ik hield van zijn verhalen, hij waardeerde mijn luisteren.
       Foto’s van zijn vrouw en kleinzoon. Een brandende kaars. De dominee leidde het ritueel. Woorden die precies pasten. Gebaren die troostten. Knuffels en tranen in zijn laatste uur. Het koor zong Nader tot U mijn Heer, zes keer. De laatste maanden had hij weer een lijntje met de hemel gekregen, had de dominee in het ziekenhuis gezegd.
       Toch.
       Misschien had Frank Sinatra hem langs die weg gesproken. Hij zong My Way. Alsof ik het voor het eerst hoorde, verwoordde hij André’s gevoel. De laatste woorden van een autonome man, staand op de grens, klaar voor de oversteek. De rode draad van onze gesprekken. Hij luisterde, zijn hoofd licht gebogen, zijn gezicht zacht en open.
       ‘Prachtig dominee, dank u’, zei hij.
En we lieten hem in vrede achter.

Twintig minuten later vertelde de arts dat hij rustig was overleden.

Ondertussen in Bordeaux, 3 augustus 2022

Op het station van Bordeaux ruikt het naar zweet. Deze dag begon fris, met 18 graden, waar je de deuren voor openzet, maar de temperatuur zal vandaag rap stijgen naar 38, net als gisteren, toen de dikke lucht je na tien stappen deed zweten en verlangen naar wind, regen, het water waar een paraplu tegen beschermt.

Zijn het de geursporen die reizigers de vorige dag achterlieten onder de stalen bogen die met glas en hout zijn afgesloten? Het fronton aan voor- en achterzijde van de perrons laat een kiertje lucht binnen. Het heeft een klok in het hart, klassiek met vetzwarte cijfers, waarvan de wijzers met een kaarsrechte vinger de minuten controleren, wachtend op hun stippen, elk uur weer.

Hoe treurig is het als ze de tijd niet meer bij kunnen benen, en hun gezag verliezen bij de passanten die nu voor alle zekerheid een holletje inzetten, want je kunt veel missen, een pen, een geliefd uitzicht, zaken die je kunt vervangen of herinneren, maar niet je trein, je afspraak bij aankomst die nu al in de gedachten van al die mensen leeft die zich in de hal, trappen, op de perrons langs me spoeden.

Op het station van Bordeaux ruikt het naar zweet.