Ondertussen in Amsterdam, 12 januari 2020

De ontmoeting

De man die ik zo
juist had gevonden,
ontkleedt zich in de tram.

Zijn adem sluit de ruiten,
zijn mond schenkt zinnen,
blaast beelden tot bellen,
teer en waar.

Een vinger tekent
in het gordijn,
kier naar de betraande stad.
Het breekt hem niet.

De halte vergeten
stap ik uit
in straten
die niet vreemd mogen zijn.

Ik schud mijn hoofd,
een hond die uit het water komt.
Ik weet, alleen,
waar ik ben ingestapt.

De vriendschap was nog niet begonnen.

Ondertussen in Amsterdam, 6 januari 2020

Een wachtrij bij de oogarts. Een echtpaar parkeert aan de balie, ze passen niet in de administratie. Overleg over de verwijsbrief, gesoebat, de rij groeit naar het einde van de gang.
Een oudere man slaat de hoek om. Onder zijn pet een rond gezicht dat in de wangen zakt. Zijn mondhoeken hangen naar beneden, onvrede is op zijn gezicht getatoeëerd. Hij houdt in.
“Krijg de pest. Vanmorgen een half uur aan de telefoon gehangen en toen dacht ik, ik ken net zo goed langs gaan.”
Een verklaring aan de wereld. Die zwijgt. Hij ziet zijn list falen, wachten is het lot.
Hij kijkt om zich heen. Niemand om aan te klampen. Er lopen twee bouwvakkers langs.
“Oh aan ‘t verbouwen, zeker weer geld teveel.”
De file baadt in stilte. Een rij overleef je alleen.
Dan gaat zijn telefoon.
“Wat is dat nou?” Hij peutert met moeite zijn mobiel uit een zak.
“Ja?” Hij luistert.
“Ja, XXL. Waar ben je dan? Op het Osdorperplein of in Slotermeer?”
Het antwoord stemt hem tevreden.
“Ja, XL is ook goed. Nee, nee, dat kan wel.”
Hij hangt op.
Zijn de witte hemden in de aanbieding? Een man die zijn hele leven is aangekleed door zijn vrouw. Nu wordt er gevraagd naar zijn maat. Staat naast me een weduwnaar die kennis heeft gekregen aan een zorgzame weduwe? Zijn hemden zijn vergeeld en uitgelubberd, dat is haar niet ontgaan Ze is in de Hema en kan de verleiding niet weerstaan. Ik kijk naar zijn gezicht. Hij is een paar minuten in de zon geweest en gloeit na.
Hij voegt zich in de rij.

Ondertussen in Amsterdam, kerst 2019

Het kerstverhaal

Kerst in het woonzorgcentrum. De oude actrice leest in de huiskamer aan twaalf bewoners het kerstverhaal voor.

Donker woud, sneeuw, wolven. Een barre tocht per arrenslee naar het dorp om voor kerst cadeaus en proviand in te slaan. Een duister sprookje, dat het dozijn toehoorders op de slee doet stappen, dicht bijeen tegen de ijzige wind. Dit willen ze meemaken, het bos doorkruisend, al snel bevangen door de kou en het gehuil van de roofdieren.
Op éen na. In een hoek van de kamer leest een man een boek. Dat doet de oude ingenieur elke dag. Hij ziet de anderen afreizen. Na twee minuten roept hij hard:
“Nou hartelijk bedankt”. Het is wel weer mooi geweest.
Mijn schoonvader verlegt verstoord zijn blik. De man slaat geen acht op hem en staart in zijn boek.

Het kerstverhaal is met inkopen op weg naar het hutje in het ijzige niets. Dan neemt het een dramatische wending. Een vrouw ligt langs de route. Wat te doen? Negeren doet bezwijken. Is er plaats? De slee draagt voorraad en de hoop op een avond vol troost, hoop en liefde. Het is de goede Samaritaan die in het Noorden de gevaren trotseert; de berijder stopt en schikt in. Hij neemt de vrouw aan boord.
Uit de hoek klinkt het:
“Verdomme, wat een onzin!”
Mijn schoonvader schiet uit de slof:
“Hou je mond!”
De man zwijgt. Is hij beduusd? En wat beweegt mijn schoonvader? Hij is opmerkelijk helder de laatste maanden, maar deze slof draagt hij zelden. Geen vertoon zonder beheersing. Publieke ergernis is hem vreemd. En nu deze uitschieter.

Inmiddels bestormen de wolven de slee, de cadeaus worden als schild en munitie ingezet, tot berijder en passagier weerloos staan. De bejaarde toehoorders kijken roerloos toe. Halen ze nog adem?
De ingenieur roept:
“Waar blijft het eten?”
Mijn schoonvader heeft nu alle vrees afgeworpen, de wolven staan in de kamer, de redelijkheid brengt deze slee niet naar de hut, het is nu erop of eronder, hij trekt zijn zwaard:
“Nou is het uit. Kiezen, kiezen!!” En de genadeslag:
“Je blijft of je gaat weg!”
Verbijsterd incasseert de buurman de oorvijg. In stilte hoort hij de goede afloop aan. De wereld zal nooit meer hetzelfde zijn. In de huiskamer is een opponent opgestaan.

De slee bereikt het woonzorgcentrum. Het kerstdiner wordt ongeschonden met alle bewoners genuttigd.

De volgende dag hoort de oude actrice:
“Wat een mooi verhaal heeft u voorgelezen.”
Ze kijkt op en zegt:
“Ik zou het niet meer weten.”

Meer verhalen:

Het is wat veel 

De speech

De tijd

Het nieuwe huis

Tulpen uit Amsterdam

Uit huis

Home sweet home

Riccardo

Levensgenieters

Altijd

De val

Ondertussen in Amsterdam,

13 december 2019

Wind en regen, drie vrouwen op een brug

Georg Hendrik Breitner, Wind en regen, drie vrouwen op een brug,1887

Niets

Ze zal 20 zijn
als ik de bloemen water geef,
zij nadert met vriendin,
ferme pas, een hand gebaart, haar stem
waait voor haar uit
de straat vast in,
de duif pikt in een korst en
ik kijk op.

De bloemen horen
woorden uitgespuugd,
onverstaanbaar ongeloof, een requisitoir,
de vriendin knikt, geen speld
tussen te krijgen,

Een zin valt in mijn oor:
‘Er was werkelijk niets, helemaal niets begrijp je, dat we hetzelfde hebben, geen hobby, geen interesse, niets’

Een dubbele boterham met worst en jam.
Wie smeert zoiets? Gevonden
op het aanrecht, je haalt ze snel
uit elkaar, voordat het boterhamzakje
zich sluit en in de tas verdwijnt.

Het was echt gebeurd, je zag het
aan de tango op de stoep, voorwaarts, afscheid
van de regen die met de zon
geen regenboog wilde worden.

Ik kijk haar na, het gesprek waait
naar andere huizen, die het ook moeten weten,
beleven, dit onrecht, het on-geluk,
toeristen, zakenmensen, ja zeker
de winkeliers op de begane grond
draaien hoofden naar hun raam.

We zwijgen er over
in de straat de dagen daarna,
maar iets in de slager,
is veranderd, hij snijdt het lapje
alsof met zijn mes mee
een gedachte beweegt

en dat verrast me niet.

‘Niets’, Ondertussen in Amsterdam, 14 januari 2019

Voorgedragen bij de presentatie van het boek
‘Spiegel van de werkelijkheid, 19e-eeuwse schilderkunst in Nederland’ van dr. Jenny Reynaerts, senior conservator 19e eeuw van het Rijksmuseum,
13 december 2019 in het Rijksmuseum.

Ondertussen in Amsterdam,

13 december 2019,

Als men oud wordt

Als men oud wordt, Jozef Israëls, 1873

De tijd

Een kop koffie in het woonzorgcentrum. 2018.
Mijn schoonvader kijkt voor zich uit. Zoekt hij woorden?
Zijn ogen maken contact met de ruimte. Tussen ons in twee kopjes op een tafeltje.
Ik wacht. Ik weet, hij neemt de tijd.

Op zijn gezicht geen begin van een gesprek.
Geen frons die vooraf gaat aan een verzuchting. Geen glimlach die een anekdote aankondigt.
Hij kan meesterlijk zwijgen.

Ik volg zijn blik. De oude actrice zit gebogen over haar telefoon.
‘Hoe kan dat nou, ik begrijp er niets van’. Haar stem neemt de ruimte. Maar het apparaat luistert niet.
Een wolk van gemopper, die onmacht druppelt.

Ik sta op en zie dat datum en tijd een avond in 2012 aangeven. Een ander leven. Herinneren kan troosten. De telefoon probeert het, maar vergeefs.
Je kunt maar beter onder ogen zien hoe laat het is.

Ik zet de data in het nu. Ze kijkt op het display en herhaalt wat ze leest:
‘Is het 20 over 11? En vandaag 28 november?’
Als ik het bevestig, glundert ze.
‘Zo zie je maar, je moet een man om je heen hebben.’

Mijn schoonvader keert terug van de WC. Zal ik haar stoel bij hem aanschuiven? Ze pakt haar mobiel, belt een naaste en het moment is voorbij.
Ik hoor haar zuchten:
’Wat zal ik zeggen, ik ben ongelukkig’.
Ik kijk naar mijn schoonvader.
Zijn gezicht is windstil. Zwijgen is leven.

Ondertussen in Amsterdam, 28 november 2018

Voorgedragen bij de presentatie van het boek
‘Spiegel van de werkelijkheid, 19e-eeuwse schilderkunst in Nederland’ van dr. Jenny Reynaerts, senior conservator 19e eeuw van het Rijksmuseum,
13 december 2019 in het Rijksmuseum.


Ondertussen in Amsterdam,

13 december 2019,

Schaatsers bij een Hollandse stad

Andreas Schelfhout, Schaatsers bij een Hollandse stad, 1857

Ingesneeuwd

Nu het sneeuwt,
de stad is opgemaakt,
blijven je voeten waar
ze niet meer lopen,
bleek en hartstochtelijk mooi

Tot de ramen zijn bedekt,
poolhonden ons gidsen
naar Albert Heijn,
kinderen uit iglo’s kruipen,
het carnaval van sledes beweegt,
en de wegen wachten,
brak en ijzingwekkend vrij

De buurman leegt
een vergeten blikje vis
op zijn boterham tevredenheid,
betwittert in zijn hol
de schuldigen
die ijs en weder laten,
de grenzen ontsluiten
voor kou,
asiel bieden
aan vlok en vijand,
de anderen
de weerman ja

De weerman, hij
ziet alle buien hangen,
en vergeet te zwijgen,
tragische boodschapper
die het liegen is verloren
en zijn vinger legt
op hoge druk.
Gezag heeft een gebaar.

Bij de kassa in de rij getagt,
zijn duizend schermen in
krijgsberaad over zijn lot,
die weerman,
puzzelwoord voor
mannelijke heks,
een publieke omroeper, ongehoord.

Als met het ijs ten slotte
meningen smelten
verbeiden stemmen
de dag dat winter vlucht
haar sporen wissend
tot water voor de laarzen
van het kind dat plonst en zingt,
naast het blad dat door
de knop heen

breekt en leeft

‘Ingesneeuwd’, Ondertussen in Amsterdam,
22 januari en 5 december 2019

Voorgedragen bij de presentatie van het boek
‘Spiegel van de werkelijkheid, 19e-eeuwse schilderkunst in Nederland’ van dr. Jenny Reynaerts, senior conservator 19e eeuw van het Rijksmuseum,
13 december 2019 in het Rijksmuseum.

Afscheid van Jannie de Weerd

23 maart 1935 – 19 november 2019

Jannie is vandaag overleden. Mijn opleider, tweede moeder, vriendin.

Vijf dagen geleden in het Sarphatihuis sprak ik haar. De laatste keer.
“He!” Haar gezicht trekt langzaam open als ze me ziet. Ze lacht zacht. Even is ze terug, vanuit het elders, waar ze met gesloten ogen op wacht.
“Hoe is het Jannie”?
“Hoe is het?” herhaalt ze. “Ik wil heel graag, heel snel dood”. Ze is rustig en duidelijk, als altijd, geen woord mis te verstaan.

We kennen elkaar sinds 1981. Zij opleider bij de VU, ik student die stage loopt. Studenten sociale psychologie geven trainingen aan eerstejaars. Op elke 3 uur die we in de ring staan, volgt 3 uur supervisie van Jannie. Die dagdelen in 1981 zijn een openbaring. Handen gespreid, gezicht in de wind, ademen en innemen. Ik wist daarna, dít wil ik doen, wil ik begrijpen, wil ik zíjn. Interventionist, trainer, adviseur. In groepen en in organisaties inhoudelijke kwesties “ordenen” en de verhoudingen ten positieve beïnvloeden, “zodat er gewerkt kan worden”. Geen gezweef, geen groei en bloei. Organisaties zitten niet te wachten op psychologie. Sluit aan bij hun taal, hun doelen. Het gaat om “binnenkomen, aansluiten en beïnvloeden”. In die volgorde. Ik hoor het Jannie allemaal zeggen. Beslist, ongecompliceerd en glashelder. Wat briljant is, is onmiddellijk vanzelfsprekend en van grote eenvoud.
Jannie heeft dat grote talent, waarmee ze de krachten ziet die mensen sturen, en het systeem hoort resoneren in de gesprekken die ze voeren. Jannie heeft tot haar laatste dagen haar tweede zicht en gehoor. Tot ons laatste gesprek.

Zes weken geleden is ze gevallen. Ze herstelt in het Sarphatihuis, voor Jannie al snel een eufemisme voor overleven. Ze ligt in een 17e-eeuws paleis voor alleenstaande ouderen, met overkapt plein dat als ontmoetingsplek dient en bij binnenkomst als eerste overgestoken moet worden. Een kolossale kubus, links en rechts verkreukelde mensen, alleen aan een slecht verlicht tafeltje. In gesprek met de stilte, verschrompeld in de ruimte. Niets herinnert in de gangen aan haar historie. Linoleum, Bruynzeeldeuren, gedateerde moderniteit.

In Jannie’s kamer vier bedden gescheiden door gordijnen die de grond niet raken. Jannie vertelt de eerste weken over de huisgenoten, als vreemden die in het studentenhuis vertrouwd raken met elkaars eigenaardigheden. Dagelijkse intimiteit van pijnlijke voeten en zucht naar hagelslag.
“Hoe gaat het Jannie?”
“Waardeloos“, antwoordt ze zonder dralen.
“Want?”
“Ik wil naar huis. Ik vind het verschrikkelijk hier.” Ze sluit haar ogen. Eind oktober, halverwege de ochtend, ze is moe en zoekt naar woorden.
“Heb je de dokter gezien?”
“De dokter, ik weet het niet, dat kan ik niet meer onthouden, dat weet Remmelt ”
Wat vandaag is gebeurd, is verloren, als knikkers die onder het lopen één voor één uit het gat in haar zak rollen. Daar, in de hoek, liggen ze, onbereikbare herinneringen van gisteren en vandaag, bewaard door haar zoon. Afspraken, voorschriften, prognoses.
Ze glimlacht.
“Dat moet toch bijzonder zijn, dat je als kind zo intens de laatste dagen van je moeder meemaakt. Dat is iets dat indruk maakt, dat vergeet je niet”. Ze denkt even na.
“Maar het is goed, want hij is onderdeel van het proces.” Haar geheugen is aangetast, de reflecties ongeschonden, de woorden precies en kostbaar.
“Wat zou je willen Jannie?”
“Willen, er is hier niets te willen, jongen. Het is overleven.” Ze is even stil. 
“Het ligt niet aan de verpleegkundigen, die zijn lief. Maar ze kunnen alleen protocollair luisteren. Als ik iets vraag, kan het alleen als het in de voorschriften past. Is dat niet zo, dan hebben ze heel veel verschillende manieren om nee te zeggen.” Ik kijk haar aan. Zo is het.
”Ik heb besloten me daar niet tegen te verzetten, zodat ik zo snel mogelijk naar huis kan.” Protocollair luisteren. Feilloos benoemt ze het systeem dat door het gedrag gloort en niet bevochten kan worden, alleen verleid. Eerst aansluiten, dan beïnvloeden. Haar tweede zicht en gehoor, het is er nog. Waar krachten belemmeren, zet je ze op afstand, maak je ze kleiner, en waar ze kunnen helpen, geef je ze de ruimte. Tegen vriendin Marjoka zegt ze:
“Nee, we gaan hier geen beleid maken.” Zinloos, geen energie aan verspillen.
Niemand van ons leest het spel als zij. Jannie staat plots weer aan. Het licht breekt door de vermoeidheid, helder, oogverblindend als de najaarszon.

Jannie is vanaf 1981 voor mij 38 jaar lang een bron van inspiratie, richting en advies. Ik schrap het woord ‘geweest’.
Wijsheid bestaat. Jannie’s zeldzame vermogen met een paar woorden gedrag en gedoe te duiden, liet me begrijpen en wees me wat te doen.
“Heb je daar wat aan”? zei ze dan altijd. Niet uit twijfel over haar advies, zo keek ze nou eenmaal naar de wereld. Maar omdat ze even in de kijkdoos van een van haar leerlingen was gestapt, in de arena het paard bij de teugels had gepakt en die nu weer overgaf en losliet.
“Ik ben zeer benieuwd hoe het verder gaat, hou me op de hoogte!”
Zo dacht ze met veel oud-leerlingen mee, begeleidde proefschriften, troostte bij een getroebleerde vriendschap, bleef de bron voor generaties studenten ver in hun werkend leven en in haar pensioen. De zinnen van Jannie worden bewaard in de reistrommel, zijn met hen langs duizenden vergaderingen en ontmoetingen getrokken en hebben in al die organisaties nieuwe bestemmingen en eigenaren gevonden.

In het Sarphatihuis lopen we die laatste weken door de gangen. Bewegen is het ticket naar huis. Steeds sneller vraagt ze na een paar stappen om de rolstoel. De route hernemend, wijst ze rijdend aan wie ze kent en waar de ontmoetingsruimten zijn.
Als we daar binnenrijden voor een kop thee klinkt een luide, schelle stem. Een vrouw steekt een betoog af, woedend, beschuldigend, verward. Jannie glimlacht en antwoordt haar op rustige toon. Weerstand bestaat niet. Ik ben verbaasd, kennen ze elkaar? Met een paar zinnen van Jannie keert het gemak terug in de stem aan de overzijde van de tafel.
“Wie is dat?” De vrouw wijst naar mij.
“Dat is mijn zoon”, zegt Jannie, mijn tweede moeder.
De vrouw neemt het gesprek over, ze heeft vandaag haar dochter gezien, speciaal uit Mexico overgekomen, die is zó goed voor haar.
“Een bééldschone vrouw, die dochter”, vertrouwt Jannie me toe.
Als de woordenvloed van de vrouw aanhoudt, zegt Jannie:
“Zo, ik geloof dat ik weer naar mijn kamer wil”.
Ze laat de thee staan. Als altijd is Jannie duidelijk over haar grenzen.

“Oud worden is niet leuk jongen”, zei ze de laatste jaren steeds vaker.
“Het mag voor mij afgelopen zijn”. In kleine gesprekken in het tehuis haalt ze de laatste weken en dagen die wens steeds dichterbij. Naar huis gaan is voorbij.
Dáarom zegt ze die laatste keer:
“Ik wil heel graag, heel snel dood.”
Ik begrijp dat ze haar keuze onomkeerbaar heeft gemaakt. Het is klaar. Ik zeg haar dat ze veel betekend heeft voor me, al die jaren lang.
“Ja, onze geschiedenis gaat lang terug”, zegt ze zacht en warm. De VU verschijnt even aan haar bed. Ze glundert:
“Mijn werkend leven was toch wel een groot feest.” Ze weegt de woorden alsof ze al sprekend tastbaar worden en de beelden een laatste maal zichtbaar.
“Over de ongemakkelijke dingen voor de vakgroep zei ik altijd: “geef die maar aan mij” en dan hadden we veel pret”.

Als ze hoort dat ik die avond naar Praag ga en vier dagen later terugkom, zegt ze:
“Jij gaat naar Praag, en ik ga…” Ze is stil.
“Waar ben jij dan?”
“Dan ben ik dood. Ik hoop dat jullie glimlachend aan me denken.”

Ondertussen in Amsterdam

De 19e eeuw
(Voor Jenny)

De negen-tiende eeuw
Spreek het langzaam uit
Om de tijd te vinden

Gisteren
Zij knopen hun schorten,
strijken hun snor,
door Breitner bewaard.

Sjouwers uit natte kelders
bedenken de stad,
halen poorten neer,
stapelen onze huizen
over Schans en Buitensingel,

Ze maken roet, welvaart,
het riool als medicijn,
water uit de duinen
op het Haarlemmerplein.

Vandaag
lees ik met oma Wille
haar bijbel, de rug gescheurd,
in Slotervaart geborgen.
Ze wacht op de tram
die vertrekt nadat Andries haar lief,
op de treeplank is vastgelegd,
zodat hij heen kan gaan en
60 jaar met pet, snor en ernst
op het dressoir van
zijn gerimpelde dochtertje staat,
die mij met natte ogen
blokfluit leert en pudding voert.

De foto van de vertrouwde vreemdeling ,
dood voordat mijn vader hem herinneren kan.

De negen-tiende eeuw
Kijk haar aan

Ze zijn wie ik ben