Ondertussen in Hall, 30 juli 2020

Vakantie in Nederland. In jaren voelde ons land niet zo groot, onze grenzen zo buiten bereik en het buitenland zo ver heen.
Vliegen is opnieuw exotisch, een avontuur voor waaghalzen. Of voor rijke mensen misschien.

In 1973 stappen we voor het eerst in het vliegtuig om in Salou, Spanje zomervakantie te vieren, eng en opwindend ineen. De meeste dingen die opwindend zijn, zijn dat omdat ze ook spannend zijn. En wat eng is, geeft doorgaans enige opwinding . Dat klopte dus samen wel.

Nu vieren we onbezorgd vakantie in Hall. Een natuurhuisje op het erf van vriendelijke mensen, omringd door boomgaard, moestuin, grasveld, borders, boompartijen. Het Nederlandse coulisselandschap in zijn oude schoonheid.

De kinderen zijn bij ons aangesloten. We praten over juli tweeduizend-toen, de zomer dat we …
…. in Namibië, voor dag en dauw in jeeps op pad gaan om woestijnolifanten te zoeken en te vinden…
… in Indonesië, de eerste avond in Yogjakarta aan de rand van een rijstveld eten, de zon daalt, de geur van de avond nestelt zich bij ons en als ik vraag:

“ En, hoe vinden jullie Indonesië?” klinkt een diepe zucht :
“Zó gewéldig.”

…. in Vietnam gevieren in de nachttrein van Hanoi naar Danang slapen. Een paar vierkante meter, groot genoeg voor 2 stapelbedden en een nacht slaap, reizend door Zuidoost Azië….
…. de maisvelden in Italië bij de grens met Slovenië in ons geheugen opslaan, waar we van rotsen in een meertje springen en twee oudere jongens indruk maken op de dochters….
…. in Canada bij de Niagara Falls varen….
…. plannen maken voor Tokyo in het najaar van 2016….

We fietsen door woorden als Ellecom, Loenen, Carolina Berg, Middachten, Avegoor, De Vrijenberg. Namen die je zomaar in Namibië of Zuid-Afrika tegen kunt komen.
En doorkruisen Laag-Soeren, waar mijn grootouders in 1940 een vakantiehuisje huren en met 5 kinderen vanuit de Watergraafsmeer naar toe fietsen. In 1953 logeren mijn pasgetrouwde ouders opnieuw in Laag-Soeren met de drie jongsten uit het grootouderlijk gezin dat inmiddels 8 kinderen telt. In de sporen van de tijd en van mijn familie, hoe zou ik me hier ooit niet thuis kunnen voelen?

Coulisselandschap ja, middeleeuwse kerkjes aan kromme wegen, uitgestrekte bossen, de zandbak van de Veluwe door het ijs in golvende heuvels ineen gedrukt. Sporen van horige boeren die in de 14e eeuw op De Vrijenberg optrekken tegen het gezag, we hoeven geen krant te lezen, we fietsen een rondje en zijn bij.

In Loenen geen Falls maar de grootste waterval van Nederland. Jacobus Craandijk stond hier in 1888 en schreef:

“‘t Is geen Zwitsersche of Noorweegsche bergstroom, die donderend neerstroomt langs magtige klippen en wolken van schuim doet opstuiven in zijn geweldige verbolgenheid. Wij zouden wel dwaas moeten zijn, om iets dergelijks hier op de Veluwe te verwachten en verkeerd zouden we doen, als wij de herinnering aan zulke overweldigende natuurtooneelen ‘t genoegen lieten bederven, dat het gezigt van dezen Loenenschen Waterval ons bereiden kan.” (Nieuwe Wandelingen door Nederland)

Mijn grootouders hebben hier in 1940 met vijf kinderen gestaan. Vier van hen zijn nog in leven.  Ik kijk naar de foto van de reisschrijver. Het ontroert me. Beter had hij het niet kunnen zeggen. 

Binnenkort gaan we naar Schouwen-Duiveland.
Schouwen. Duiveland. Spreek die woorden langzaam uit.

Een landschap krijgt de naam die het verdient, en verweerd door de tijd, gaat de aanleiding op in identiteit. Zoals het leven zelf.

Schouwen-Duiveland, het volgende avontuur lokt.

Ondertussen in Amsterdam, 24 juli 2020

De straat is stil. Amsterdam is bewolkt, de burgemeester heeft gisteren de Wallen droog gelegd. Geen bier in de verkoop, ondernemers en onbezonnen consumenten zijn een krachtige slag toegebracht. De coffeeshops kunnen onbekommerd in alternatieve beneveling voorzien. De Engelse en Duitse persbureaus worden geïnformeerd. 

Tussen de planten voor de deur vind ik twee spijkerbroeken, twee T-shirts, een toilettas en een tube tandpasta, bij elkaar gevouwen en opgeborgen tegen de muur naast de uitbundig bloeiende rozen en lavatera. Het geheel is afgezegend met peuken die als garnering op een maaltijd rondom verspreid liggen in de aarde.

Stille getuigen van een feestje dat steeds intiemer werd? Waarbij het verlangen naar huid zo vlamde dat het de behoefte aan reiniging deed verdampen? Wég met die zeep en borstel, de nacht is lang en alle ballast hinderlijk?

Of….. ik zie dat de toilettas een buitenmaat is en uit buikt…. zijn dit de getuigen van een sluwe kraak nabij, zo voorbereid dat de daders om de hoek kleding wisselden en zich in een oogwenk van uniform én gereedschap hebben ontdaan?

Een paar jaar geleden vond ik in een plantsoen van een naburige straat de klassieke hamer en koevoet, onontbeerlijk om je werk als insluiper naar professionele standaard te kunnen doen. Nu word je in dat beroep niet lastig gevallen met een klanttevredenheid-vragenlijst:

“Mogen we een paar minuten van uw tijd?
”Gaat uw gang, ik ben toch al even bezig met de slotenmaker om de schade te repareren, (dat heeft u keurig kapot gemaakt) en met de politie om aangifte te doen (uw hebt uw sporen netjes weggepoetst)”
”Mijn waardering? Ja, ik zou u zeker aanbevelen aan vrienden en familie”.

We weten dat de opdrachtgevers andere middelen gebruiken om hun waardering te uiten zonder omslachtige vragen te stellen. De Autoriteit Persoonsgegevens kan daar wellicht een rapportje aan wijden als het na Covid ooit weer komkommertijd wordt?

Ik laat de toilettas gesloten, mocht ze al instrumenten van hygiëne bevatten, dan is dat geen garantie dat ze in acht is genomen. En is fantasie niet te verkiezen boven kennis?

Ik leg alles bij het vuilnis waar de tas binnen 5 minuten wordt ontdekt door een stadsjutter die met diepe fietstassen de nalatenschap op de straathoeken inspecteert. Als notaris van het tweede leven geeft hij objecten van waarde door aan een nieuwe eigenaar. De toilettas wordt aan zijn hengsel opgevist, getaxeerd en goedgekeurd. Op weg naar een klus met weinig investeringsmiddelen. Of naar de minnaar die ontwaakt uit het delier van de nacht en een onbedaarlijke aandrang tot kuising ervaart.

De catharsis is nabij.

Ondertussen in Amsterdam, 17 juni 2020

In de rij bij de supermarkt. Het stokt 50 centimeter na de ingang. Mensen zwermen rond groente en fruit, verenigd als de witlof die in een kistje warmpjes opeen gedrukt wacht op de hand die haar plukt.

Bij het fruit aarzelt een vrouw tussen aardbeien, bramen en frambozen. Twijfel kan een mens overal overvallen. Ik sta stil en kijk hoe ze een stap naar rechts en naar links maakt. Ik beweeg als een bokser in verdediging mee. Hoofd naar achter, hoofd naar voren. Een klant wringt zich tussen ons in en trekt een doosje zomerfruit naar haar toe.
“Heb je haast”, vraag ik? “Ik sta ook te wachten”.
Het ronde hoofd beweegt op een paar decimeter afstand door de schrale lucht.
“Ja inderdaad, sorry”.
Ze spoedt zich naar de groente, waar de klanten grazen in de bakken en elke onverhoedse beweging een aanraking betekent. De huidhonger is onmiskenbaar.

Veel is nog onbekend over het coronavirus, maar één ding staat vast. Het verdwijnt als eerste uit het bewustzijn – de precieze locatie daarvan in de hersenen is ondanks de opkomst van de biologische psychologie nog steeds een raadsel – en daarna pas uit het lichaam. Geruststellend voor iedereen die weet dat ontkenning onze eerste verdediging is. Dat heeft de psychologie dan weer wel uitgezocht. Op die mentale kwaliteit kunnen we altijd terug vallen.

Na een korte opleving van de overheid waarbij we ons verlieten op haar aanwijzingen en de naleving vooroorlogse hoogten bereikte – rattenvangers als Baudet en enkele zieltogende BN-ers daargelaten, hun bestaan is nu eenmaal noodlottig gefundeerd op aandacht – heeft het gezag zich weer teruggetrokken achter haar bureau en regeert de papieren werkelijkheid als vanouds de maatschappij. Die heet nu 1,5 m samenleving. Taal creëert vrijheid. Ook voor oude gewoonten.
In Amsterdam is de gemeten dosis coronavirus in het riool in een week tijd vertienvoudigd, bleek op 10 juni. Alles is anders.
Gelukkig doen we weer normaal.

Ondertussen in Amsterdam, 28 mei 2020

De pandemie (V)

We wandelen naar Aalsmeer
kruispunt, slootjes,
drie kinderen meten zich
aan de Westeinderplas

Het station is fietsenwinkel,
verhalen vertrekken op tijd,
op de spoordijk lopen voeten,
het huis heet Rozenoord

Een meisje met ronde lach
zingt, houdt in
als ze passeert,
voor een glimlach

Auto’s overstemmen fietsers, wandelaars
hinkelen op scheve tegels,
vrij, vrij

ik vang woorden
om later op te zetten

In een lage polder drijven
grijze fabrieksdozen,
Hoogvliet kweekt asfalt
in de voortuin,
water troost lelijkheid,
een oude heer groet,
op het dak van de Waterwolftunnel
groeien zomerbloemen.

Ondertussen in Amsterdam, 22 mei 2020

De directie van het woonzorgcentrum stuurt Corona-updates. Dat ze het overheidsbeleid op de voet volgen, dat ze aan de bewoners denken, en dat alles wat ze doen verantwoord is. In de laatste brief ontbreken spaties. De woorden smelten samen tot één ademloze zin. Ze beloven, wehoudenuopdehoogte.

Mijn schoonvader zwemt in de tijd en ontmoet herinneringen.
Hij vraagt: 
“Hoe is het eigenlijk met mijn ouders?”
“Nou pap, die zijn in 1992 en 93 overleden”
Hij luistert met aandacht en knikt.,
“O ja, ik vroeg t me af. De laatste tijd heb ik weinig van ze gehoord.”

Ondertussen in Corona, 20 maart -19 mei 2020

XXXXX
Het is niet voorbij
vijftig haiku’s
zijn mijn laatste woord

XXXXIX
Willig besmet zijn
veertig mensen,
vrij en onverveerd

XXXXVIII
Economie krimpt,
taal groeit per dag:
zie hier gelaatscherm

XXXXVII
Terrasje pikken
mensen kijken
ogen naar je ziel

XXXXVI
Kansen te over
de Arena
als stiltecentrum?

XXXXV
Lang zal het duren
en af en toe
stuift een haiku op

XXXXIV
Altijd op gehoopt
ook voetbal blijkt
een evenement

XXXXIII
Controlefase,
overgangsfase,
kies ook een fase!

Op straat wel ieder
van fase X
hartelijk gegroet?

XXXXII
Het raam toont mijn film:
een nieuwe dag.
De wind gaat liggen

XXXXI
Crimineel vannacht
geliquideerd
Mokum pakt draad op

XXXX
Exitstrategie,
touwtjes vieren
baasjes uit laten

XXXIX
Virus: de boodschap?
Ruimte, natuur,
minderen, samen

XXXVIII
Eindelijk zicht voor
BN-ers op
anonimiteit

XXXVII
Elke dag zondag
de winkels dicht
vader snijdt geen vlees

XXXVI
Primeur Koningsdag:
dit jaar hopen
we niet op regen

XXXV
Ajax kampioen
in deze tijd
een zekerheidje

XXXIV
Consuminderen
was maar een woord
smaakt het doen naar meer?

XXXIII
De zon lokt ons mee
een passant zegt:
‘We spelen mooi weer’

XXXII
Bedrijf zoekt talent:
bent u mensschuw?
Smetvrees, schermverslaving?

XXXI
Het ís overdraagbaar:
hoop, toewijding
liefde, vertrouwen

XXX
Rutte komt, hoe laat?
vrees, verlangen
naar papa’s woorden

“Prille begin van
de weg terug”,
dwalend door jungle…

… sidderend vangen
we de boodschap
een kat of kado?

XXIX
Kluizenaar zijn we,
holbewoner,
schuilend voor mensen

XXVIII
Een vleermuis of lab?
Complotdenkers’
hebben een speeltje

XXVII
Corona krediet
wie krijgt het niet?
Voor wie het kunst is

XXVI
Eén punt vijf meter
samenleving
past in een haiku

XXV
Op TV zie ik
handen schudden
Rare gewoonten

XXIV
De jonge Rutte
probeert een Geen-
Nieuws-conferentie

XXIII
“Grote Afsluiting”,
Besmette tijd,
je bent gebrandmerkt

XXII
De appelboom smacht:
Mag de bij mijn
bloesem omhelzen?

XXI
Kom-niet-te-dichtbij-
economie:
Stop tutoyeren

XX
‘Verdachte ontsnapt’,
zeggen kranten.
Wie van ons allen?

XIX
Stucen en schuren,
Soezen, schrijven,
Zien, zinnen en zijn

XVIII
Het nieuwe normaal
ontsproten in
abnormaliteit

XVII
Beeldbellen, het werkt
niet alleen, het woord
deugt en is, beeld schoon

XVI
Fluitende vogels
zoeven “s ochtends
op lege wegen

XV
Een app aan je lijf,
de overheid schenkt
ons een Grote Broer

XIV
Corona-lente
omhelzingen
van mijn bloemetjes

XIII
Poëzie, de pijl
die ik schiet in
zelf-isolatie

XII
Persconferenties,
onderdanen
halen boodschappen

XI
Kus de barista
deze keer maar niet.
Nieuwe routines

X
Coronacrisis,
buiten snacken
koude lentewind

IX
Zonder touw op twee
bergen klimmen,
dat is winkelen

VIII
Anderhalf meter
woorden houden
gepaste afstand

VII
Buiten maakt de boom
kleine blaadjes
Het is een begin

VI
In witte huizen
werken helden
en éen dikdoener

V
Zachte lentedag,
verrukkelijk.
Om naar te kijken

IV
Hoe gaat het met je?,
schrijf ik in apps,
mails, hoofd, hart en hier

III
Vandaag het virus
uitgelaten
met and’re baasjes

II
Soo sjel distan sing
het Nederlands
in quarantaine

I
Onbestemde tijd,
alles is nieuw
Tolken werken thuis

20 maart – 19 mei 2020

Ondertussen 18 mei 2020

XXXXIX
Willig besmet zijn
veertig mensen
vrij en onverveerd

XXXXVIII
Economie krimpt,
taal groeit per dag:
zie hier gelaatscherm

XXXXVII
Terrasje pikken
mensen kijken
ogen naar je ziel

XXXXVI
Kansen te over
de Arena
als stiltecentrum?

XXXXV
Lang zal het duren
en af en toe
stuift een haiku op

XXXXIV
Altijd op gehoopt
ook voetbal blijkt
een evenement

XXXXIII
Controlefase,
overgangsfase,
kies ook een fase!

Op straat wel ieder
van fase X
hartelijk gegroet?

XXXXII
Het raam toont mijn film:
een nieuwe dag.
De wind gaat liggen

XXXXI
Crimineel vannacht
geliquideerd
Mokum pakt draad op

XXXX
Exitstrategie,
touwtjes vieren
baasjes uit laten

XXXIX
Virus: de boodschap?
Ruimte, natuur,
minderen, samen

XXXVIII
Eindelijk zicht voor
BN-ers op
anonimiteit

XXXVII
Elke dag zondag
de winkels dicht
vader snijdt geen vlees

XXXVI
Primeur Koningsdag:
dit jaar hopen
we niet op regen

XXXV
Ajax kampioen
in deze tijd
een zekerheidje

XXXIV
Consuminderen
was maar een woord
smaakt het doen naar meer?

XXXIII
De zon lokt ons mee
een passant zegt:
‘We spelen mooi weer’

XXXII
Bedrijf zoekt talent:
bent u mensschuw?
Smetvrees, schermverslaving?

XXXI
Het ís overdraagbaar:
hoop, toewijding
liefde, vertrouwen

XXX
Rutte komt, hoe laat?
vrees, verlangen
naar papa’s woorden

“Prille begin van
de weg terug”,
dwalend door jungle…

… sidderend vangen
we de boodschap
een kat of kado?

XXIX
Kluizenaar zijn we,
holbewoner,
schuilend voor mensen

XXVIII
Een vleermuis of lab?
Complotdenkers’
hebben een speeltje

XXVII
Corona krediet
wie krijgt het niet?
Voor wie het kunst is

XXVI
Eén punt vijf meter
samenleving
past in een haiku

XXV
Op TV zie ik
handen schudden
Rare gewoonten

XXIV
De jonge Rutte
probeert een Geen-
Nieuws-conferentie

XXIII
“Grote Afsluiting”,
Besmette tijd,
je bent gebrandmerkt

XXII
De appelboom smacht:
Mag de bij mijn
bloesem omhelzen?

XXI
Kom-niet-te-dichtbij-
economie:
Stop tutoyeren

XX
‘Verdachte ontsnapt’,
zeggen kranten.
Wie van ons allen?

XIX
Stucen en schuren,
Soezen, schrijven,
Zien, zinnen en zijn

XVIII
Het nieuwe normaal
ontsproten in
abnormaliteit

XVII
Beeldbellen, het werkt
niet alleen, het woord
deugt en is, beeld schoon

XVI
Fluitende vogels
zoeven “s ochtends
op lege wegen

XV
Een app aan je lijf,
de overheid schenkt
ons een Grote Broer

XIV
Corona-lente
omhelzingen
van mijn bloemetjes

XIII
Poëzie, de pijl
die ik schiet in
zelf-isolatie

XII
Persconferenties,
onderdanen
halen boodschappen

XI
Kus de barista
deze keer maar niet.
Nieuwe routines

X
Coronacrisis,
buiten snacken
koude lentewind

IX
Zonder touw op twee
bergen klimmen,
dat is winkelen

VIII
Anderhalf meter
woorden houden
gepaste afstand

VII
Buiten maakt de boom
kleine blaadjes
Het is een begin

VI
In witte huizen
werken helden
en éen dikdoener

V
Zachte lentedag,
verrukkelijk.
Om naar te kijken

IV
Hoe gaat het met je?,
schrijf ik in apps,
mails, hoofd, hart en hier

III
Vandaag het virus
uitgelaten
met and’re baasjes

II
Soo sjel distan sing
het Nederlands
in quarantaine

I
Onbestemde tijd,
alles is nieuw
Tolken werken thuis