De timmerfabriek van Johannes Bührmann

Lopen in de Middeleeuwen maakt me gelukkig. Sinds ik weet dat de ontginners van Amstelland het groene land in de elfde eeuw doorsneden met slootjes, die loodrecht op de Amstel zijn gegraven om het moeras te ontwateren voor landbouw en bebouwing, kilometers diep het veen in naar het Westen en Oosten… sinds ik dat weet, zie ik hun sporen overal in de stad. In de stegen die van het Damrak naar de Nieuwendijk omhoog lopen, naar de oude rivierdijk van de Amstel. In de Jordaan, waar sloten en paden tot straten en grachten zijn gemaakt, schuin uit de Prinsengracht gestoken. En in een oud buitenpad, dat door de landerijen voerde, langs sloten en grazende koeien, eindigend bij een van de honderden molens die Amsterdam omringden. Daar voert dit verhaal me.

Op de Leidsegracht passeer ik de brug over de Keizersgracht en sla tegen de richting in rechtsaf. De zon speelt met het water en zet aan de overzijde de gevel van Huis Marseille in het licht. Vijftig meter links wacht het Molenpad. De kleine straat is verlaten. Links en rechts monumentale bebouwing, hoog en laag, een potpourri van stijlen. Verderop ligt de Prinsengracht, net als de Heren- en Keizersgracht vanaf 1612 gegraven als onderdeel van de majestueuze derde Uitleg van Amsterdam.

De Prinsengracht doorsneed het oude Molenpad, en de honderd meters tot het Raamplein werden omgedoopt tot Raamstraat. Maar tussen de nieuwe hoofdgrachten behield het pad haar oude naam. Omdat het straatje niet uitloopt op een brug is het stil. Over de Prinsengracht trekken dagjesmensen van de Negen Straatjes naar de Leidsestraat. In het Molenpad zelf is niets te consumeren, maar het café met die naam doet goede zaken, net om de hoek op de Prinsengracht. In mijn studententijd zakte ik in het bruine café door, doofde een wankele liefde uit, doopten we verdriet en wijsheden in drank. Die andere ontginners kende ik toen nog niet.

Het middeleeuwse pad liep door de polder buiten de stadsgrens tot de molen op het huidige Raamplein bij de Marnixstraat, nu een desolate parkeerplaats, waarover het gemeentebestuur toevallig vandaag een besluit publiceert. Een van de twee uitgangen van het terrein wordt opgeheven, onder aanhaling van twee wetten, een reglement, diverse bepalingen en uitvoeringsvoorschriften, de verordening en ondermandaatbesluiten van de stadsdelen en het stadsgebied. Maar kijk, daar is de molen. De verbeelding wint het. Altijd.

Nu sta ik op het Molenpad voor de nummers 5 en 7. Het is één gebouw, laag in verhouding tot de buren, en strekt zich twintig meter in de straat uit. Vier traveeën, deuren in ossenbloedrood, op de verdieping boogvensters en tussen de zwarte dakpannen vier dakkapellen die elk een hijsbalk dragen en zijn versierd met halfronde timpanen. Kantoorunits zullen het nu zijn. Maar ik zie de timmerfabriek van Johannes Matthijs Bührmann, honderdtwintig jaar geleden, vol in bedrijf.

Johannes Bührmann is in 1901 tweeënveertig jaar oud. Geboren Amsterdammer. Een man die even gelovig als ondernemend is. In zijn fabriek maakt hij pakkisten, de containers van zijn tijd. Een bezoeker vertelt dat hij binnentreedt bij de fabrikant:

‘Hij leidt me naar een lange jongeling in overall en bretels. Vader en zoon geven elkaar een klapje op de rug. In het zaagsel op de vloer blijven onze voetstappen achter. Het stof danst in de middagzon door de zaal. Tegen de langgerekte achterzijde ligt het hout in vakken op grijphoogte opgetast. In de hoek is met kraalschroten een klein kantoor afgeschot.’

Zijn zoon neemt zijn vader waar als Bührmann de handen vrij moet maken voor dat andere gewichtige werk. Sinds 1901 is hij regent van het Evangelisch Lutherse Weeshuis en zwaait met vier mannen en drie vrouwen de scepter over vijfendertig kinderen in het ‘gesticht’ aan de Weteringschans en over tientallen wezen die zijn ondergebracht in pleeggezinnen in het ‘binnenland’, veelal aan de overzijde van de IJssel. Ze zijn notabelen met een missie. Om kinderen een vak te leren en op te voeden tot een deugdzaam bestaan buiten armoede. De regenten en regentessen nemen vrijwel alle praktische beslissingen over de wezen. Niet alleen de keuze van opleiding en pleeggezin, ook de aanschaf van nieuwe schoenen en verlof om een tante te bezoeken, wordt op de wekelijkse vergaderingen afgekaart, daartoe geïnformeerd door weesvader en – moeder Van Thiel die in het huis 24 uur met de kinderen leven en het huishouden organiseren, leidinggevend aan een jongensopzichter, een naaijuf, een strijkster, een boekhouder en dienstbode. Over de kinderen zei weesvader Van Thiel:

‘Als onderdeel van hun gewichtige maatschappelijke scholing in het gesticht volgen onze jongens en meisjes een opleiding of gaan in de leer bij een ambachtsman. Meisjes als dienstbode, jongens als knecht van een bakker, een smid, een timmerman. In de stad of waar mogelijk in de kost buiten Amsterdam, in een pleeggezin met de warmte van een huiselijk verband en een gezonde omgeving, ver van de verlokkingen van het oude stadse leven dat dikwijls voor hen weinig goeds inhield. Het bespaart het weeshuis daarenboven geld, ofschoon we doorgaans wel enige vergoeding voor kost en inwoning betalen en de wezen zakgeld ontvangen. Zij die hier in huis wonen en in de stad werken, dragen het gesticht hun loon af. Het weeshuis is voor veel arme kinderen die ene kans op onderwijs, heer.’

Regent, weesvader, pleegvader, een wees heeft vele vaders.

Johannes Bührmann, de fabrikant van het Molenpad is geen scherpslijper, hij is een man die kijkt en  ziet. Het kind, door de moraal en verhoudingen heen. In 1905 noteert de secretaris:

“Dan vraagt de Heer Bührmann of er nu niet werk van gemaakt moet worden, dat de Weeskinderen die het Weeshuis verlaten in een Ziekenfonds gaan. Vader wordt opgedragen hiervoor te zorgen.”

Het bestuur verliest zijn schapen niet uit het oog. Bührmann doorkruist het land als een gewetensvolle handelsreiziger in pleegkinderen. Hij onderhandelt over de voorwaarden voor plaatsing van een Amsterdammertje en aarzelt niet om bij het eerste signaal van gebrekkige verzorging of conflict naar de Achterhoek af te reizen om het kind en pleegouder ter plekke te spreken. En in te grijpen.

Een van die ‘buitenkinderen’ is mijn grootvader, die ik nooit heb gekend. Hij heet Willem, Johannes Bührmann heeft zich over hem ontfermd, bezocht hem in Varsseveld waar hij als veertienjarige bij een smidsgezin was ondergebracht. En beijverde zich voor zijn terugkeer naar Amsterdam.

25 augustus 05
Waarde Willem,
Tot mijn leedwezen, moet ik je mededeelen dat mijn bemoeiingen om je een plaats op de Nederlandse Fabriek van Spoorwegmaterieel etc. te bezorgen tot heden zonder resultaat zijn geweest, ze moesten ontslagen bankwerkers hebben.
Een dezer dagen spreek ik nog iemand, die aan de Fabriek verbonden is, en zal dan nog een laatste poging voor je wagen. Mocht ge weder iets hooren, schrijf dan gerust. Dan zullen wij weder moeite voor je doen en ik hoop als dan met beter resultaat.
Nu gegroet, ook aan den baas en de vrouw
Namens het bestuur E.L. Weeshuis
J.M.Bührmann

Johannes Bührmann. Hij kende mijn opa.
Geen onaardige vent, denk ik als ik op het Molenpad fiets en hem groet.

Noten:
* Citaten uit De wezen van Amsterdam. Roman, in bewerking.
* Brief uit Stadsarchief Amsterdam, Archief 200 Inventaris 900,
Copyboek correspondentie Bestuur met wezen en pleegouders

Ondertussen in Amsterdam, 14 januari 2023

De letters

IS dit nou wat je wilde?
Een vrouw op straat, ze gilde
naar hem,
naast haar,
zijn schaduw,
een afdruk van zijn benen,
een man, die onmiskenbaar
was verdwenen,
nadat
geworpen uit haar mond,
de hagel trof,
was hij gebutst, verwond?

Eén keer nog keek hij om
en stamelde,
in kommer en gegrom:
ik, ik…
Hij leek een ogenblik
een jongetje,
verbeeld ik me
of maakte hij een sprongetje,
een vlucht naar voren,
als het ware.

Ontdaan van woorden
en gebaren,
verloor ik hen uit zicht,
de stilte speelde in mijn oren,
was er gewonnen of verloren,
was het een waan,
heeft dit zich werklijk voorgedaan?

Je kunt niet weten wat je wilt.
Je bent,
je doet
je bloeit en bloedt,
en zult het achteraf begrijpen,

als de letters zijn geschreven,
alleen verhalen overleven.

Ondertussen in Amsterdam, 5 januari 2023

Lijnen in het land,
gesneden met onvaste hand
en in de regen uitgelopen.

Gekleurd, betekend door een kind,
met takken wiegend in de wind,
de wortels weggestoken.

Ooit zong de horizon hier ongebroken
totdat, de lange vingers uitgestoken,
de stad haar stem deed doven.

Achter de wering wacht het water,
eeuwenlang vandaag, op later.
We lopen op de grens.

Zo zijn we, stil en naakt,
waar alles is gemaakt.
Ook wat zich niet liet denken.

Ondertussen in Amsterdam, 27 oktober 2022

André de Vries, 4 juni 1926 – 27 oktober 2022

‘Ik hoop dat jullie… toch een goed leven hebben’, zei mijn oom André vanmorgen. Zesennegentig jaar oud woonde hij nog zelfstandig. Tot hij viel. Sinds vier maanden was hij aan een rolstoel gekluisterd. Opgenomen in een verpleeghuis en afhankelijk van hulp. Voor toiletbezoek. Om in bed te komen. En op te staan. Soms lag hij dertien en een half uur plat. Van negen uur in de avond tot half elf de volgende morgen. Hij was een nachtmens, las thuis na middernacht het nieuws, schreef apps en mails. Nu telde hij de uren, starend naar het plafond, de pijn in zijn benen verbijtend.

Een onderzoeker was hij. Nieuwsgierig, spitte het internet af op kennis en inzichten. Om zich te informeren.
       ‘Ik weet precies wat in de wereld gebeurt.’
        Om zijn kinderen en kleinkinderen te helpen. En nu, in het verpleeghuis, om zijn behandeling kritisch te volgen. Op zijn laptop die hij alleen overdag nog kon gebruiken. Steunkousen voor zijn benen? Hij zocht uit welk type geschikt was, en hoe ze aangebracht dienden te worden. Waar nodig onderwees hij de onwetenden. Hij waardeerde deskundigheid, maar herkende feilloos knollen voor citroenen.

‘Ik hoop dat jullie… toch een goed leven hebben.’
       ‘Toch’, dat woord gebruikte hij dikwijls. Wat hij zei was overwogen, grondig overdacht. Zijn kinderen en kleinkinderen zaten diep in zijn hart. Maar toch. Zijn leven hield op.

De afgelopen maanden spraken we elkaar wekelijks, naar het einde vaker. Niet in het minst over zijn leven waar hij met mitsen en maren op terug keek.
       ‘Ik heb altijd een laag zelfbeeld gehad. En een moeilijk karakter.‘
       ‘Wat kun jij schelden’, had Henk, mijn vader, tegen hem gezegd. En die kon er zelf ook wat van. André vertelde het zonder gene. Niet om schoon schip te maken. Evenmin met trots. Hij had altijd gezegd wat hij vond, ook als hem dat niet in dank werd afgenomen. Zo oordeelde hij ook over zichzelf.

In de tweede helft van de jaren tachtig had hij een aanvaring met Nieuwenweg, zijn directeur bij de Dienst Bouw- en Woningtoezicht. Hij was hoofd Personeelszaken en voor ingewikkelde brieven werd steevast een beroep op zijn pen gedaan.
       ‘U moet niet boos worden…’ had de directeur op een goede dag gezegd en een paar noten gekraakt over een concept van zijn hand.
       ‘Doe het lekker zelf’, had mijn oom geantwoord en smeet de brief naar zijn baas. Kort daarna kreeg hij een andere functie. Hij vertelde het met smaak – het ontlokte mijn lach – maar ook met een zekere spijt. Toen ik zijn intelligentie roemde, zei hij:
       ‘Als ik een ander karakter had gehad, had ik het verder geschopt. Arrogant vonden mensen me.’
Hij was autonoom, maar allesbehalve overtuigd van zijn eigen positie onder mensen. En nu kwamen bewoners en personeel van het verpleeghuis afscheid nemen. Ze omhelsden hem. Zijn overbuurvrouw huilde. Een ander prees zijn aangename gezelschap, hij zou hem enorm missen.
       ‘Die laatste weken en dagen… ik word kennelijk aardig gevonden’, zei hij. ‘Dat zelfbeeld moet ik toch een beetje herzien.’

Tot de laatste dag was hij scherp, snel van begrip, verbaal zeer vaardig. En kritisch, driftig, soeverein. Allesbehalve een vlieg op de muur. Oom André in een verpleeghuis, geregeerd door de routines van slapen, eten, plassen en poepen. Om twaalf en vijf uur eten in de huiskamer, wat de pot schaft. Ondenkbaar.
       ‘Gisteravond, bij dat vreselijke eten, dacht ik, gelukkig, het is de laatste keer,’ zei hij vanmorgen. ‘Ik wil dit leven niet. Het is een marteling. Elke dag is het een marteling.’

Hij had het heft toch in handen weten te houden en mocht uit het leven vertrekken. Alles uitgezocht op internet. Overlegd met de huisarts met wie hij in het huis een band had opgebouwd. Het afscheid voorbereid met de dominee die hem elke maandag opzocht. De datum geprikt, 27 oktober, half 12 ’s ochtends. De laatste week gevuld met afscheid van familie, vrienden, personeel en bewoners. Hij telde de dagen. Vorige week donderdag, peuzelend aan een saucijzenbroodje, zei hij om half drie ’s middags:
       ‘Gek hè, volgende week om deze tijd ben ik er niet meer.’

Vanmorgen om half elf zaten we in zijn kleine kamer op de vijfde etage. Zijn kinderen, schoondochter, kleinkinderen. En ik, ‘mijn neef, de psycholoog’ zoals hij me in het verpleeghuis aan deze en gene had voorgesteld. Ik hield van zijn verhalen, hij waardeerde mijn luisteren.
       Foto’s van zijn vrouw en kleinzoon. Een brandende kaars. De dominee leidde het ritueel. Woorden die precies pasten. Gebaren die troostten. Knuffels en tranen in zijn laatste uur. Het koor zong Nader tot U mijn Heer, zes keer. De laatste maanden had hij weer een lijntje met de hemel gekregen, had de dominee in het ziekenhuis gezegd.
       Toch.
       Misschien had Frank Sinatra hem langs die weg gesproken. Hij zong My Way. Alsof ik het voor het eerst hoorde, verwoordde hij André’s gevoel. De laatste woorden van een autonome man, staand op de grens, klaar voor de oversteek. De rode draad van onze gesprekken. Hij luisterde, zijn hoofd licht gebogen, zijn gezicht zacht en open.
       ‘Prachtig dominee, dank u’, zei hij.
En we lieten hem in vrede achter.

Twintig minuten later vertelde de arts dat hij rustig was overleden.