Ondertussen in Kopenhagen, augustus 2019

De zucht naar een vakantie met zon, zand en zee. Eind augustus pakken we proviand en verlangen in en vertrekken naar Noord Europa waar we de handdoek leggen op het strand boven Kopenhagen, tussen Munkerup en Hornbeak. Zachte wind landinwaarts, een paar gezinnen, een kiosk met koffie en ijsjes.
Sardinië schroeit, Scandinavië bloeit.

Nooit eerder was ik in Denemarken.
De betovering van buitenland begint over de grens, met de vreemde taal. Mensen praten, vragen, waarschuwen, vleien. En niets daarvan is door de vreemdeling te ontvangen, te wegen en te bevatten – behalve de blik, de toon, het gebaar, dát er aan een ander een boodschap is bezorgd die gehoord moet worden, begrepen, en beantwoord. Het voorrecht van de buitenstaander, behept met onschuld en onwetendheid, die met nieuwsgierigheid en het gebrek daaraan – onverschilligheid – vrijheid vindt. Ik weet van niets.

Zo ook in Denemarken, waar men Deens spreekt. Zo curieus als een vreemde taal hoort te zijn, een stroom klanken zonder betekenis, een potpourri van oe-s en eu-s, waar woorden in verdrinken.

Staatsmuseum voor Kunst Kopenhagen

De Deense taal lijkt verwant aan de onze, uit straatreclame en belettering op wagens drijft na enige inspanning betekenis boven. Maar gesprekken zijn een hemel waaraan geen wolk beweegt om de richting van de wind te bepalen, hoe zeer ik ook probeer uit de vloed van geluid mogelijke woorden te vangen.
Alleen de toon is vertrouwd en onmiddellijk sympathiek, ontleend aan Deense TV-series, waarbij de ondertiteling het gesproken woord tot decor maakt. (Een gat in de markt: vakantie met ondertiteling. Oh nee, dat bestaat al, de begeleide groepsreis. En vergeet de techniek niet. De Japanse taxichauffeur in Bibai op het eiland Hokkaido stak op onze Engelstalige vraag zijn vinger op, bracht het scherm van zijn IPad dicht voor zijn mond en sprak tot onze verbazing de glazen rechthoek ferm toe. Vervolgens draaide hij zich met apparaat en al om en richtte het ding het woord tot ons. Google Translate. Grensoverschrijdende ervaring.)

Nu spreken de Denen allemaal Engels, en met opvallende hoffelijkheid. dus in noodzakelijke conversatie wordt voorzien. Maar met elkaar, overal om ons heen: Deens. Dus waan ik me de eerste dagen figurant in een Deense policier, waarin iedere brave burger zonder uitzondering een heimelijke kant blijkt te bezitten, die zich schuil houdt tot zij per cliffhanger wordt onthuld. Geen Deen zonder drift, schuld of begeerte.
Hij ook? Waar feiten ontbreken, regeert de fantasie. In het museum zie ik de gebruinde zeventiger, bordeauxrode polo, gouden montuur, zijn vrienden op de ijle Giacometti/figuur wijzen. Is hij niet in werkelijkheid de gewetenloze industrieel die zijn personeel uitzuigt, zijn minnares double-bind bedriegt met zijn vrouw en de Deense fascisten heimelijk steunt?

Louisiana Museum of Modern Art

En zij? Daar schrijdt een jonge vrouw, niet ouder dan 30, gracieus, achteloos over het grasveld. Vermoeden we in haar de jonge inspecteur, op onbekende missie?
En die twee? Op het strand passeert een echtpaar, blootsvoets banjerend in de branding. Aan de horizon sluimert de scène waarin zij de brief opent, haar zojuist door een vreemdeling bezorgd. Als in het schilderij van Pieter de Hoogh dat we eerder in Hamburg zagen.

Hamburger Kunsthalle

Het zijn tijdloze clichés die ons al eeuwenlang voorhouden: niets is wat het lijkt. Verhaal, beeld, boodschap. De Hoogh, Vermeer, Bol en Rembrandt. Het Netflix van de Gouden Eeuw.

Ik loop in Kopenhagen. Gelukkig, de ondertiteling ontbreekt. Ik maak mijn verhaal.

Ondertussen in Amsterdam, 10 juli 2019

Het T-shirt spant om zijn lijf. European Tour 1984. De ouwe rocker heeft fans op leeftijd. Veel fans. Babyboomers en hun opvolgers. Gelooide huid, de glimlach van 30 jaar geleden. De tijd is in de Ziggo Dome een glijbaan, waarop we gillend, in een zucht decennia overbruggen.
En dan zingen we opnieuw Heart of Gold, op de eerste studentenkamer met rieten matten, bruine muren, oranje deuren, en in 2019 in een grote vierkante doos met 15000 vrienden naast de Johan Cruyff Arena.

Voor ons twee broers. De linker beweegt, de rechter staat. Hij verspreidt een lichte stank, een hard day’s night. De hele avond blijven hun handen een geheim. Na driekwart concert buigt een hoofd naar links, vraagt en kijkt achter zich. Het tweede hoofd schudt nee. Om hen heen is ieder aangeraakt. Ogen zijn dicht, handen klappen, heupen wiegen. Neil Young weet hoe geluk uit een elektrische gitaar te delven. Hij temt het wilde beest en grijpt het met twee handen bij strot en lijf. De Gibson vecht en trekt Young voorover, die terug buigt, met alle kracht voorkomend dat hij aan de hondenriem op zijn buik over straat wordt getrokken. Het beest jammert, jodelt, juicht. Een urenlange strijd ontlokt een aards gegrom uit diepe bron. Het ontroert intens.

Dan tikt rechterbroer linker aan. Hij heeft tot duizend geteld. De vergadering van morgen voorbereid. Uitgerekend hoeveel uur slaap resteert. Tien groentes met een S bedacht. Linker ziet, het is genoeg. De dam is gebroken, de boot wacht. Niet op Neil Young, hij scheurt onze harten verder aan stukken met zes verhalen die allemaal nu gebeuren. We zijn erbij als hij het beleeft, herinnert, creëert en vertolkt.

De volgende dag lees ik vijf recensies met 4 en 5 sterren. Broer zit in een overleg dat veel te lang duurt.

Ondertussen in Zandvoort, 13 juni 2019

Het strand is verlaten. De regen drukt putjes in haar huid, zo ver als ik kan zien.
Achter de witte huisjes de zee, bedaard en lui schurkt ze tegen de horizon. De zon loert achter zwarte vegen lucht. Zomeravond in juni.

Ik zet mijn schoenen recht op het zand om insluipers te ontmoedigen. Bewust vermijden doet herinneren. Het zand schuurt virtueel onder mijn sokken.
Ik span mijn kuiten en waad door de strak gesponnen korrels, bij elke stap een steen in de vijver schoppend. Een brute daad. Voor me de diepe sporen van een andere bezoeker. Een naam gekerfd in de bast.

Verderop een andere reeks, drie strepen ontspruitend uit één punt. Zelfs een vogel tatoeëert het strand. En een mier? Als ik zo klein en licht was, zou ik dan van kruimel naar kruimel kunnen springen zonder een hap uit de boterham te nemen?

Ach, daar wacht het water. Straks rukt het op en wast de zonde weg. Het laken strak getrokken, het bed opgemaakt. Vergeven en vergeten.