Ondertussen in Amsterdam, 21 augustus 1870

Een deur in de binnenstad van Amsterdam, in een vorig leven grachtgroen gelakt. De barsten in het hout zijn gelooid en vormen geultjes voor de regen. Voor de ramen bruine gordijnen, die zorgvuldig zijn gesloten. Onder de trekbel het vale naambordje:
Van Eck.

Ik trek hard aan de bel, en voel de terugslag op het hout, Opnieuw vraag ik me af of dit werkelijk en waar is. Gisteren ontving ik een briefkaart met een frankering van 5 cent. In een schoonschrift dat ik ken van mijn grootvader las ik:

‘ Beste E
Ik hoop dat ik u niet ontrief met dit bericht. U weet wie ik ben, althans, u kent mijn boek. Zoals u weet ben ik uit de tijd. Ik kan u niet vertellen waar of hoe lang dat zo is. Het is nu eenmaal zo. Ik tel de dagen niet meer. Ik hoop dat u dat begrijpt.
Ik wil u vragen morgen naar mijn huis te komen. Het adres vindt u op deze kaart. Ik kan niet zeggen waarom. Sommige verhalen moeten eerst verteld worden. Ik doe dat aan u. Dat kan alleen morgen. Ook dat kan ik niet toelichten. Zorg dat u er om 11 uur bent.
Ik groet u beleefd,
J. van Eck’

Ik knijp mijn ogen samen. J.van Eck? Ik ken maar éen Van Eck. De auteur van De Schans en de Buitensingel uit 1948. Wie haalt hier een grap met me uit?! Met mijn vinger strijk ik langs de postzegel. Ze is meegedrukt in de briefkaart. Het stempel is dik en rond. In zwarte inkt lees ik: Amsterdam 21 augustus 1948.
Ik werp een blik op het raam. Word ik gefilmd? Rolt iemand nu van de stoep van het lachen? Op straat hangen twee mensen op een bankje, fietsers en brommers zijn op weg. Ik zie niets dan onschuld.

Ik loop de poetsenmakers na die het talent hebben dit te ondernemen. Dat zijn er maar een paar. En ze opereren steevast in het verband van mijn intervisiegroep. Dit is er éen op ons niveau.
Of is de boodschap een andere en houdt de afzender zich met redenen verscholen? Die nacht lig ik wakker, alert als na het zien van een horrorfilm die te kort voor bedtijd is geëindigd. Om 3 uur schrik ik wakker en luister gespannen naar harde gillen die gewoonlijk vervloeien in mijn slaap. Ik waggel naar het raam en zie een verlaten straat.

De volgende dag is mijn gemoed ongewijzigd. Wie flikt me dit? De kaart brandt in mijn handen en weigert haar afzender te onthullen. Er zit niets anders op dan op pad te gaan.

Ik hoor de bel rinkelen achterin het oude huis. Ik bereid me voor op een bulderend gelach van J. en B. die hun spot in mijn gezicht spuwen. Ik kijk omhoog of ik een camera zie. Het glas van de oude lantaarn boven de deur is dof en beantwoordt niet mijn blik. De deur opent. Een oude man kijkt me onbevangen aan.

Welkom. Wat bijzonder dat u in staat bent op mijn uitnodiging in te gaan”.

Hij is stokoud. In zijn gelaat zijn onder een bril met ronde glazen de tijden getekend als krassen in dikke verf. Zijn witte haar is als snaren van een gitaar in parallelle strengen achterover gekamd. Geen spoor van ijdelheid in zijn kleding. Een roodbruin geblokte stropdas, een donker colbert met wollen vest, tijdloze instappers. Hij keert zich om. Ik volg hem in de schemer van het huis. Aan het einde van de gang flikkert een gele lamp. Mijn hakken klikken hard op het zwart-witte mozaïek van de stenen vloer. In de spaarzaam verlichte huiskamer wandbrede antieke kasten, van onder tot boven gevuld met boeken, zonder uitzondering gebonden en met stofomslag. Op tafel een vulpen en een briefkaart. Ik durf niet te kijken naar het adres. Van Eck pakt mijn arm.

‘Kom, als we buiten zijn, zult u het begrijpen’.

Aan het einde van de kamer loopt een smalle gang naar de achterdeur. Op het plaatsje ontsluit Van Eck de deur in de bemoste ommuring. Ik ruik een scherpe, zure lucht.

De voormalige Elandstinksloot’, zegt van Eck en wijst naar de smalle straat. Ik herken de Lijnbaansstraat. Of toch niet?

‘De leerlooiers van de Elandsstraat en -gracht hebben hier jarenlang op geloosd. En dat gebeurde ook vanuit de Grote Stinkmolen en de Kleine Stinkmolen op de Schans, de stadswal aan de overzijde van de Baan-gracht. Daar bewerkten zeemleertouwers schapenvellen. Met urine. De Grote Stinkmolen dus. Nomen Est omen nietwaar?’

Hij lacht. In zijn gelaat komt langzaam de kleur terug.

Ik ken het verhaal. In de 18e eeuw werd “de Grote” een moutmolen, het Roode Hart genaamd, die begin 19e eeuw werd gesloopt. De Engelse Gasfabriek, de industriële opvolger, produceerde de extreem giftige bodemvervuiling die tot de dag van vandaag de Appeltjesmarkt onbebouwbaar maakt. De naastgelegen parkeergarage staat niet toevallig op palen, een paar meter boven het oppervlak en grondwater.

Van Eck wijst richting Marnixstraat. Ik kijk naar de plek waar de blokkendoos en betonnen ringen van de Marnixgarage het uitzicht domineren. Maar niet vandaag. Ik zie een donkere rookpluim en de bruinzwarte huid van een fabriek. Mijn mond valt open en ik sta stil.

Waar is de garage? En waar is het Hoofdbureau van Politie, 100 meter naar links?

Achter de fabriek doemt onmiskenbaar een bolwerk op. Een stenen constructie die onderdeel is van de 17e eeuwse stadsmuur. Op deze plaats kan alleen maar bolwerk Nieuwerkerk staan, realiseer ik me. Ik val naar links en zoek naar evenwicht en adem.

‘Meneer Van Eck! Wat gebeurt hier? Waar ben ik?’

Van Eck buigt zijn hoofd. Een frons tekent zijn zilveren gezicht. Hij zucht.

‘U hebt recht op een verklaring, ik weet het. Ik heb u geschreven dat ik uit de tijd ben. Mijn verhalen zijn lang geleden opgetekend en leven nu hun eigen leven. Helaas wordt hun bestaansgrond en vindplaats meer en meer begrensd. Uit boekwinkels zijn ze verbannen, uitsluitend in schaarse antiquariaten vinden ze een laatste schuilplaats, wachtend op een reddende engel, een zendeling zoekend naar historische kennis. Mijn woorden zijn nu zeldzame insecten wier bosschages zijn gerooid voor het gemak van de mens. Waar zijn ze nog geborgen? De naasten met wie ik mijn ervaringen persoonlijk heb gedeeld, kunnen het niet meer navertellen. Het is mijn diepste verlangen de herinnering aan het Amsterdam van 1870, mijn jeugd, nog eenmaal in gesproken woorden door te geven. Met het vuur van mijn tong en het kompas van mijn voeten.’

Hij haalt diep adem. Zijn gezicht gloeit als een fakkel in de nacht. Mijn mond is gesnoerd. Ik ben sprakeloos en wacht devoot als zijn discipel tot hij vervolgt.

‘Ik vertel het verhaal van de oude 17-eeuwse stad die in 1870 omringd   wordt door de Buitensingel en waar je vanaf de Schans de honderden, honderden molens ziet, hun wieken malend in de wind, een
ensemble van nijverheid als een zwerm spreeuwen harmonieus, mystiek dansend tot de einder. Gister werd mijn wens verhoord en ontwaakte ik in het oude huis van mijn jeugd. Ik heb weinig tijd. U bent uitverkoren om mijn verhaal aan te horen en door te geven. Ik weet niet waarom. Hier moet u het mee doen.’

De lucht trilt en staat dan stil. Zijn eeuwigdurende meditatie is onderbroken voor deze ene boodschap, een eenzame zonnestraal die door de wolken is gebroken en mijn gezicht raakt.

‘Goed’, zeg ik tenslotte, ‘ik luister’.

We lopen naar de Schans, zijn arm geklonken aan de mijne. Zijn dunne benen haasten zich als een achtjarige. We beklimmen bolwerk Nieuwerkerk. Dan ontvouwt zich aan de overzijde van de Buitensingel het schilderij, onder een blauwgrijze Hollandse lucht van Van Goyen, met wolken zo rond als fris geblazen bellen.

Een zee van molens. Zo ver als ik kan zien.

Wieken draaien langzaam rond, andere staan stil. Van Eck haalt diep adem en blaast langzaam uit. Een kalme wind strijkt langs ons  gelaat. Het groene land doorsneden met slootjes die in de middeleeuwen door de ontginners loodrecht op de Amstel zijn gegraven, kilometers diep het veen in naar het Westen om het moeras te ontwateren en geschikt te maken voor landbouw en bebouwing. Tot de Kostverlorenvaart en verder, naar de zandgronden bij Haarlem. In het Oosten idem, naar het Gooi.
Een deel van de groene percelen is versteend en Jordaan geworden, waar sloten en paden tot straten en grachten zijn gemaakt, schuin uit de Prinsengracht gestoken. Schuin achter me ligt de Elandsgracht, nog niet gedempt, vroeger het Appelmanspad naar de eigenaar van het kilometerslange perceel dat in de Middeleeuwen van Dam tot Kostverlorenvaart reikte. De beschoeiing van de gracht is kapot. In het water drijven vuilnis en uitwerpselen. De achtertuinen in de Jordaan zijn dichtgebouwd, en in de stegen huisvesten kelderwoningen de allerarmsten onder de groeiende bevolking. Vochtige een-kamer krotten waar gezinnen op een paar vierkante meter hokken. De levensverwachting is laag, de kindersterfte hoog.
Dit is de rand van de stad, waar leerlooiers, handwerkslieden, en dagloners vechten tegen de uren van de dag en de nacht. Van Eck wijst naar links.

‘Ziet u ze? De tuinderijen en herbergen bij de Boerenwetering, waar nu het Museumplein en Rijksmuseum domineren?’

En waar nu de voertaal Engels is, denk ik, en het ego van de door twee eeuwen neergang getekende stad van 1870 nu door duizenden bezoekers aanbeden wordt als IK Amsterdam. Ik zwijg. Dit kan ik Van Eck nimmer uitleggen.

‘Daarachter de houtzaagmolens langs de brede sloot die Albert Cuyp is geworden’ vervolgt Van Eck.
‘En naar rechts het water van de Kattensloot en de plas Kwakerspoel, – die u kent als het Kwakersplein – waar we als kinderen speelden.’

Hij wijst naar een groep jongens die in het water zwemmen en zich ten droge leggen in een van de bootjes die teruggekomen van de stad wachten op nieuwe vracht. Eenvoudige vaartuigen die in het ochtendschemer met melk, fruit en groente naar de stad varen. Bij de Raampoort ter hoogte van de Bloemgracht is een doorvaart voor de groentemarkt op de Prinsengracht en de fruitmarkt op het Singel.

Van Eck kent deze dag geen vermoeidheid. Zo loop ik met hem op de boerenpaden die Kinkerstraat, Ferdinand Bol en Dapperstraat worden. We bezoeken het Muiderbos waar in 1866 de Oude Oosterbegraafplaats is geopend. Mijn overgrootvader is daar in 1916 begraven alvorens verplaatst te worden naar De Nieuwe Ooster. Als ik dat vertel glimlacht Van Eck:

‘Het is altijd mijn wens geweest aan de rand van de stad te rusten, waar families hun zondagse wandeling maken in het lommer van het Bos, met zicht op de torens van de stad.’

Ik laat de vraag liggen waar de appel uiteindelijk gevallen is. Niet ver van deze boom hoop ik voor hem. We schuilen voor de regen bij de tuinderfamilie van Loon en rusten bij de herberg naast de opslag van de houtzaagmolens. Ik vertel Van Eck dat molen De Otter is gered van verplaatsing naar Uitgeest , de laatste der Mohikanen die  werkeloos en verlaten in de Gillis van Ledenberchstraat de herinnering bewaart aan het panorama van de Buitensingel. De Otter zal weer draaien. Niet om te produceren maar om te verpozen, de Amsterdamse industrie van de 21-eeuw.

Hij kijkt me aan en knikt. Zijn verhaal is verteld.

Het is zijn tijd.

Ondertussen in Brooklyn

Tommy is onze doorman.
We logeren winter 2013 bij Joe, in zijn appartement in Willow Street, Brooklyn Heights, een eiland van bruine baksteen, statige straten, gespikkeld met 19e-eeuwse herenhuizen. Een paar straten verder open water, de promenade langs de East River en de skyline van Manhattan.
Amsterdam-Zuid in NYC.

Tommy, een massieve man, zestiger, een zacht gezicht, weet wie we zijn voordat we ons hebben voorgesteld.
“Friends of Joe, welcome madame, sir”.
Ik ben verbaasd, en gevlijd. Ten onrechte. Als kennis macht is, staat de huisbaas aan de deur die ons galant in zijn domicilie nodigt.

Dat is hij niet alleen omdat hij de geheimen kent van de 30 deuren op de bovengelegen etages.
Het helpt wel.
De nieuwe vriend van mrs. Smith, die de tweede keer al naar hem glimlacht  en Tommy vraagt  of hij zijn hond wil uitlaten.
De eenzame goudvis van de journalist, door Tommy verzorgd als baasje de stad uit is, happend naar gruis op het kleine wateroppervlak. als een pasgeboren vogeltje in een vochtig nest.
De dronkenschap van de operazangeres, die zingt, vloekt en tiert en wier vibrato met zachte hand door Tommy naar snikken en stilte wordt geleid.
De volgende dag neemt ze de bestelde croissantjes met een knikje aan,  nadat de herinnering met de alcohol uit haar geest is verdreven.
En wat zit er in die grijze pakketjes die wekelijks voor de toneelschrijver worden afgeleverd, de nachtvlinder die de ochtendkrant rond lunchtijd bij Tommy ophaalt en wiens oogleden even zwaar lijden onder de zwaartekracht als de halve manen in de huid daaronder?

De doorman is een reiziger. Wie de wereld kent, sluit en opent anderen de deur. Tommy is een zwarte man in een blanke bubble. Hij kent het zwijgen in weelde en spreekt de taal van armoede. Hij brengt je naar het ziekenhuis, en neemt je post in ontvangst. Hij legt een brug en graaft een sloot.
Als het moet in die volgorde.
Wie hem verstaat, hoort de verhalen. Small talk, gossip en ernst bij de lift.
Of voor de deur, met een sigaretje, met de neef van Joe. Smoke mates. De verre vriend is soms dichterbij dan de stille buur. Tommy weet dat de makelaar van drie hoog hem mijdt. Doormen weten teveel, zegt buurman. Hij loopt voorbij maar je passeert de doorman niet. Wie hem schuwt, gaat, zonder weersverwachting, toch door zijn deur naar buiten.

Ook deze buurman kan op dinsdag niet zonder Tommy. Voor 18 uur komt de ganse straat in beweging. Het parkeerverbod wijzigt wekelijks van de ene naar de andere zijde van de weg. Wacht je tot het 18e uur is geslagen, dan is je plaats vergaan. Auto’s manoeuvreren tussen tijdige plek en gevreesde bekeuring. De illegaliteit van half 6 maakt Tommy een half uur verklikker van de handhavers. Spot hij ze dan volgen waarschuwingen, verplaatsingen, en victory at 18 o clock.
De dans van Willow Street.

We gaan de stad in. Tommy gaat naar huis. Waar is thuis?
Als ik me koester aan het beeld van de fiere, arme man die op leeftijd, noodgedwongen arbeid verricht, vertelt Joe lachend dat Tommy een leven lang hard gewerkt en goed verdiend heeft.
Na pensionering zocht hij een ontspannen dagbesteding. Geen hobby’s, geen geraniums. Doorman!
Een praatje, interessante mensen, vrijheid.
Zijn spaargeld zit in twee appartements-gebouwen in Buschwick.

Doorman, het geheim van de huisbaas.

Ondertussen in Amsterdam, 9 augustus 2018

Home sweet home

Verhuisd naar Amsterdam, zijn geboortestad,
keren we met mijn schoonvader terug naar het oude huis in Voorburg, de stad waar hij 78 jaar woonde.

‘Home, sweet home”, zegt hij als we de gemeentegrens passeren. Jaren-60-flats, plantsoenen, stille, brede straten.
“Mis je het”?, vraag ik.
“Neuh, sust hij. “Het is voorbij. Maar ik heb er goed gewoond. En veel beleefd natuurlijk’”.

In het huis gaan een laatste keer de spullen door zijn handen. Wat hij jaren bewaard heeft, valt in een seconde onder zijn oordeel. Een doos met 30 agenda’s. De administratie van het buurthuis. De schriften met crypto-raadsels.
De liefde is voorbij.
Een grijze vuilniszak verslindt zijn verleden.

Een paar items worden gespaard van verbanning.
Speeches van 25-jarige huwelijken, jubilea van de oliemaatschappij, een brief aan zijn ouders.
In de boekenkast vind ik een pasfoto van 40 jaar geleden. “Knappe man”, zegt hij.

In een tas draag ik het verhaal van zijn leven naar buiten.
Hij stapt in de auto naar Amsterdam.
Als we de Ring bereiken, kijkt hij naar buiten. Het blijft stil.

Ondertussen in Amsterdam, zomer 2018

De regenmaker

De stad zucht onder de hete, hete zomer, die verdooft en ruziet met de slaap.
We schuilen in schemer en schaduw.
Ik verlang intens naar wind en regen.
We fietsen langzaam naar het park, een zachte wind opwekkend die verkoelt.
Het hondje zit in een mandje achterop de fiets. Haar tong vraagt om water, wolken, regen.

Als die plots komt, stort het wonder zich over ons uit. Het nat baant zich in gulle stromen een weg door de klamme hitte, naar haar snuit, de vacht, de weg. Terug in het mandje klotst het water rond haar poten.

Met grote ogen kijkt ze naar de hemel en dan naar ons.
Ik hoor je denken. Wat sneu, doornat, beducht voor het geweld van de natuur, een angstig hompje hond.

Ik kijk naar de hond. Wat is er gebeurd? We fietsten naar het park. Zuchtende mensen in het warme gras, de baas transpirerend als hij afstapt en zich droogt. De zucht die de hond al dagen hoort. Mensen die traag bewegen in de dikke lucht.

De hond rent even de spieren los. Een sprintje, een afslag links, een rolletje om. Dan vindt ze de open plek en richt haar bek naar de hemel.
De weerwolf uit haar keel laat geen misverstand bestaan.
Het scheurt het hart, het klieft de hemel en de klamme zomeradem. Het gebiedt.

Mensen kijken op. Is dit het signaal om huiswaarts te gaan? Wat eindigt hier?

Dan breekt de lucht, het water vloeit, het gras drinkt en ik adem. We gaan naar huis.

In haar mand zie ik de hond, beduusd door haar stille kracht.

Je weet pas wat het is, als je het hebt gedaan. Zoals met elke kunst.

Tekening van Caroline Meerum Terwogt

Ondertussen in Amsterdam 30 juni 2018

Riccardo

Mijn schoonvader verhuist over een paar weken naar een appartement met zorg. Restaurant, activiteiten, structuur.
Wat hem zwaar valt om te dragen, wordt uit zijn handen genomen. Hij is blij.

Op zondagmiddag halen we hem op uit het revalidatiecentrum om in de oude flat 45 jaar geschiedenis te monsteren.
Wat wordt historie, wat verhuist mee naar de nieuwe tijd?
Ik parkeer voor de hoofdingang van het centrum. Links en rechts patiënten in rolstoelen die de zon vangen. Sigaretjes, bleke gezichten.

Hij stapt in, ik start de auto. Niets. Nogmaals starten, en niets. Gesputter, ongeloof, niets.
Terwijl de familie per taxi vertrekt, bel ik de Wegenwacht.

Voor het stille publiek ontvouwt zich een urenlang schouwtoneel. Een groene auto die tot zwijgen is gebracht. Een  gele wagen die aanschuift en zich met kabels met de ander verbindt. Een monteur in blauwe overall. Het duurt even. De gele auto verdwijnt, een tweede komt.

Honden, planten, auto’s, het alledaagse medicijn tegen verlegenheid in de openbare ruimte. Men heeft met me te doen. Knikjes, een glimlach.
Al snel ontpopt een van de toeschouwers zich als een fan van het merk. We praten.
Hij kent mijn schoonvader. “We eten met Riccardo altijd aan dezelfde tafel hè”.

Riccardo? Mijn schoonvader heeft een oer-Hollandse voornaam.
En, zo begrijp ik, is in het bezit van een pseudoniem dat hij al 7 weken geloofwaardig 3 tafelgenoten voorhoudt.
Ik zie hem stoïcijns reageren op zijn Italiaanse roepnaam:
“Dag Riccardo“
“Morgen”.

De man kijkt voor zich uit.
“Ja, Riccardo. Hij is natuurlijk een man van weinig woorden. Stil. Maar wij zeiden tegen elkaar, dit is een man die gezag heeft uitgeoefend. Op hoog niveau. Gezaghebbend moet hij zijn geweest ja”.
Hij legt zijn lippen op elkaar, tuit ze en knikt. “Misschien werkte hij wel voor de BVD.”

Ik kijk hem aan. Hij spreekt over mijn schoonvader, die laconieke man, die woorden spaart en in vrede dobbert in zijn private wereld waarin rituelen regeren en risico’s niet bestaan. Boodschappen bij Hoogvliet, sinds 1972 huurder van een galerijflat, één glaasje wijn voor het eten. Kleine grapjes met een uitgestreken gezicht.

Riccardo Bond. Die 40 jaar werkte voor Calvé en Chevron. Een perfect alibi.

Ondertussen in Amsterdam, 19 juni 2018

Het cafe is leeg. De klandizie soest voor de deur in de avondzon. Ik haal twee biertjes, een man is me voor. Het licht stort zich uit over de bar. De druppels op de toog glinsteren, de tap staat in een bad van parels.

De man bestelt jenever. ‘Old or young’?
De jonge klare wordt door de barkeeper uit de holster onder de bar getrokken en met een woeste zwaai boven het borrelglas gebracht. Een statement. Twee mm onder de rand neemt de fles afscheid.

Dan zie ik mijn vader. Ik hoor hem zuchten: ‘Dat is geen borrel’. Hij zegt het meer feitelijk dan streng. Hij scheidt de bokken van de schapen. Toneel van vakmanschap.

Ik weet van hem, een borrel zonder kop is een half ei of nog erger, een lege dop. De kop is heilig. In de tempel van de drank regeren de rituelen.

Ik wacht op ons bier.

Mijn vader buigt zich naar het koude vocht dat bolt boven zijn glas. Hij zuigt zachtjes de overmaat naar binnen. Het genoegen verspreidt zich over zijn gezicht en daalt zijn lichaam in. Slokdarm, maag en darm.
Geolied, verwarmd en gehard door dagelijkse oefening. Nu kan het glas naar de mond worden gebracht en in teugjes worden geleegd.

Hij zit aan de bar en kijkt om zich heen. Ik kijk naar hem. Ik zoek naar woorden. Hij zoekt naar stilte.

Daar is het bier. ‘Zal ik het opschrijven’?

Ik zie, mijn vader is vertrokken.

Met twee glazen loop ik naar buiten, naar de zon, naar mijn vriend, naar vandaag.