Ondertussen in Amsterdam, maart 2018

Winter

Ajax had dat weekend het kampioenschap verspeeld. De nieuwe trainer liet zijn pupillen voetballen als moesten ze het spel opnieuw meester worden.
Zijn ego kon hij moeilijk verhullen in zijn woorden. Spelers begrijpen het nog niet, dat heeft meer tijd nodig. Kleine leiders debiteren grote waarheden.

Waarom denk ik aan Ajax in de kou?
De wind tekent sporen in mijn gezicht. De vorst ademt op mijn huid. Ik sta stil.
De stad staat in het licht, in ijzige schoonheid. Spaarzame fietsers bewegen traag hun benen, gebogen naar het stuur. Ik loop verder, naar het cafe, waar het altijd schemert. Hier trotseer je dag, dorst en kou.

Aan de bar een man, gevouwen in zijn jas. Klaar om te gaan. Twee halve maantjes dragen zijn ogen, de vermoeidheid voorbij.
Hij neemt een slok en kijkt me aan: “Ook schuilen in de hut?”
Als ik afwezig knik, neemt hij de hele hand: “Amsterdammer zeker”?
De man werpt me een tevreden glimlachje toe: “Het is nu stil in Amsterdam he? Wat zei die jongen met die grote mond ook alweer? Wij worden kampioen, zeker weten!”
Zijn ogen worden klein, zijn mond strak.
Ik weet wat komen gaat. De afkeer van Amsterdam, de verwaandheid die de mond is gesnoerd, de verwende snotneuzen die op hun bek zijn gegaan.

Ik maak ruimte en gun hem het zachte spuug op zijn lippen. Ik hoor de stem van de kleine kruidenier die in mij de grootgrutter ontwaart. Wie kan de tijd ontdoen?

Ik begrijp het, je kijkt naar jezelf door de ogen van de ander. Zo ben je wat je ziet, schuilend in hoop, angst, en verlangen.
Hij daagt me uit hem te ontkennen. Maar ik wil niet schuldig zijn. Ik groet de man en verlaat het cafe.

Ik kijk naar Amsterdam. De stad zegt niets. Haar straten zijn wit, haar bomen buigen in de oostenwind. Ze laat ons.

Achter me opent de deur van het cafe. De man stapt naar buiten.
Hij zal straks rillen. En zijn kraag optrekken om het weer te weren. Was hij maar thuis.
Net als ik.

Ondertussen in Amsterdam 18 februari 2018

Liegen is een deugd. Goed voor onze kinderen, een te leren les in de opvoeding. Zonder het leugentje om bestwil word je het leven niet meester. Jokken of verzuipen.

Het stond in de krant. De weekendkrant, waar we elke zaterdag worden onderwezen in levensstijl. En met elkaar afspreken: Stijl of Geen stijl.

Ik dacht aan Halbe en kijk naar het filmpje van het VVD-congres. Halbe vertelt een verhaal. Een man, gehesen in strak vel, een zachte twinkeling, onder zijn arm de grote boodschap. Van goed en kwaad. Geen krak in zijn stem, geen zenuw in zijn gelaat, geen gebaar verraadt een andere waarheid.

Zijn handen boetseren het beeld van Poetins kamer. En wijzen naar de stille plek in de hoek. Daar zat Halbe, de oren gespitst, de ogen geknepen, de woorden memorerend met een stille glimlach.

Ik geloof hem op zijn blauwe ogen. Of waren ze bruin, of groen?

Ik ben in de war.
Geen idee waarom Halbe er vorige week plots een leugen van maakte.
Jokken dat je gelogen hebt.
Om wiens bestwil doe je dat?
Het is briljant want onnavolgbaar.
Ik onderzoek vergeefs de krant.

Ik hoor de bel. Halbe aan de deur. Ik koop een roodleren encyclopedie. Prachtige aankoop.

Ondertussen in Amsterdam, februari 2018

De val

Mijn schoonvader is gevallen. Niet voor het eerst. Het ziekenhuis begroet hem als oude bekende, al heeft de lieve verpleger hem nog nooit ontmoet.
Op zijn hoofd pronkt een witte lap waarin de wond zich schuil houdt.
Onder zijn schedel voegt een nieuwe bloeduitstorting zich bij de erfenis van vorige week. Hij loopt al 3 maanden wankel en bestrijdt dat – conform het zwaarwegende advies van de huisarts – door meer zout te eten. Een diagnose van semi-moderne toverkunst.

Dit is het tweede weekend dat een ambulance hem ‘s avonds op de spoedeisende hulp aflevert. Mijn schoonvader is daar niet uit het veld te slaan. Hart op slag, bloed op orde, alle vragen onder de knie.
“Waar bent u?”, vraagt de verpleger.
“Johannes de Deo”, zegt hij. Zo heette het hospitaal drie fusies geleden. Grapje, die naam kent het jongere personeel natuurlijk niet.
De val heeft hij niet meegekregen en het is nu echt tijd om weer naar huis te gaan. A;s de neuroloog dat doorkruist met een opname ondergaat hij dat als was hij plots in een diepe plas gestapt. Je had beter kunnen weten, maar je verzetten tegen natte voeten is nu zinloos.

Toen de weg naar huis een paar dagen later via de operatiezaal blijkt te lopen, wordt zijn ommetje stilaan een hordenloop. Het is onder lokale verdoving. Maar ze boren wel een gaatje in je hoofd om het bloed te verwijderen. Na afloop beschrijft hij gedetailleerd het aanzwellende geluid van de boormachine. Vertellen is zegevieren.
Hij heeft de neurochirurg terloops gevraagd niet alle hersenen weg te halen.

Na de grappen komen ook evenwicht en lopen terug. Alles in de goede volgorde. Als hij ontslagen wordt, zegt hij: lang gewacht, stil gezwegen, toch de vrijheid herkregen.

Ze geven hem in een wit plastic tasje nog een recept goede raad, en een doos adviezen mee. Hij neemt ze beleefd in ontvangst. Die kan hij thuis op een vertrouwd plekje opbergen. Het kan altijd een keer van pas komen weet je wel.

Die voeten worden vanzelf weer droog.