Winter
Ajax had dat weekend het kampioenschap verspeeld. De nieuwe trainer liet zijn pupillen voetballen als moesten ze het spel opnieuw meester worden.
Zijn ego kon hij moeilijk verhullen in zijn woorden. Spelers begrijpen het nog niet, dat heeft meer tijd nodig. Kleine leiders debiteren grote waarheden.
Waarom denk ik aan Ajax in de kou?
De wind tekent sporen in mijn gezicht. De vorst ademt op mijn huid. Ik sta stil.
De stad staat in het licht, in ijzige schoonheid. Spaarzame fietsers bewegen traag hun benen, gebogen naar het stuur. Ik loop verder, naar het cafe, waar het altijd schemert. Hier trotseer je dag, dorst en kou.
Aan de bar een man, gevouwen in zijn jas. Klaar om te gaan. Twee halve maantjes dragen zijn ogen, de vermoeidheid voorbij.
Hij neemt een slok en kijkt me aan: “Ook schuilen in de hut?”
Als ik afwezig knik, neemt hij de hele hand: “Amsterdammer zeker”?
De man werpt me een tevreden glimlachje toe: “Het is nu stil in Amsterdam he? Wat zei die jongen met die grote mond ook alweer? Wij worden kampioen, zeker weten!”
Zijn ogen worden klein, zijn mond strak.
Ik weet wat komen gaat. De afkeer van Amsterdam, de verwaandheid die de mond is gesnoerd, de verwende snotneuzen die op hun bek zijn gegaan.
Ik maak ruimte en gun hem het zachte spuug op zijn lippen. Ik hoor de stem van de kleine kruidenier die in mij de grootgrutter ontwaart. Wie kan de tijd ontdoen?
Ik begrijp het, je kijkt naar jezelf door de ogen van de ander. Zo ben je wat je ziet, schuilend in hoop, angst, en verlangen.
Hij daagt me uit hem te ontkennen. Maar ik wil niet schuldig zijn. Ik groet de man en verlaat het cafe.
Ik kijk naar Amsterdam. De stad zegt niets. Haar straten zijn wit, haar bomen buigen in de oostenwind. Ze laat ons.
Achter me opent de deur van het cafe. De man stapt naar buiten.
Hij zal straks rillen. En zijn kraag optrekken om het weer te weren. Was hij maar thuis.
Net als ik.









