Ondertussen in Amsterdam, mei 2018

Altijd

Mijn schoonvader is weer gevallen en opgeraapt. Opgenomen, verward en verzwakt. Zijn kracht is vergaan en in het revalidatiecentrum zoekt hij vrijheid en herstel

In de lentezon rijd ik hem naar een windstil plekje naast bloeiende struiken. Hij is doof en dichtbij zijn gezicht stel ik vragen.

Hij vangt vertraagd de woorden en denkt na.
In zijn antwoorden schemeren feiten, de dokter die sprak, de gehoorspecialist die verdween, de buurman die kwam.

Zo zal het zijn. Terug bij de ingang staat een vrouw op de stoep en zuigt zachtjes aan een sigaret. Een smal gezicht, gedeukte wangen.
De kleur is uit haar gelaat gelopen. Ik groet haar.
Ze knikt terug, van ver weg.
Ik heb haar gezien.

Het is hier al   tijd.
Het is vandaag niet gisteren, het wordt niet
morgen en zelfs niet vandaag.
Het is dagelijkse eeuwigheid. De redeloze tijd zonder begin of einde, die alleen momenten kent.
Zoals nu, nu de zon schijnt en bewoners voorzichtig over de drempel stappen om te zien of de wereld er nog is. Ze nemen zichzelf mee, meer is niet nodig en dat is, wat er is. De kale plek op haar hoofd, het slangetje in zijn neus, de stoel die haar rolt.
Een vrouw zit halverwege de gang stil. Ze wacht en sluit haar ogen. Het is veel

Buiten ontvangt iemand de vroege zon op witte wangen, een ander leest de krant. Zoals altijd.
Ik scheer de plukken baard die mijn schoonvader op goed geluk niet kon vinden.
Ik laat hem achter met de tijd.

Ondertussen in Amsterdam, maart 2018 III

De vreemdeling

Het restaurant is gevestigd in een oud pakhuis. Afgebikte muren. Stalen lampen zweven als vliegende schotels in de hoge ruimte. Het is tot de laatste tafel gevuld.

Meteen nadat ik de deurmat passeer, staat de gastheer voor me. Hij steekt zijn hand uit. “Welkom, ik ben Pieter.”
Zo word je tegenwoordig begroet in een etablissement. Persoonlijk. De eerste keer werd ik een ogenblik de introducee die door de gastheer als een oude vriend wordt verwelkomd. Maar, nieuwe intimiteit raakt je totdat het professionele routine blijkt.
Vandaag resteert er een klein toneelstuk waarin ik de onbekwame dilettant ben.
Ik laat me niet kennen. “Dank je”. En noem mijn naam.

Het restaurant is populair, bij Amsterdammers en toeristen. Herkenbaar en hip. Het theater zit nu in mijn hoofd en wil er niet meer uit. Ik zie de eigenaar wijdbeens over de as van een schommel staan, duwend met het ene en dan weer leunend op het andere been terwijl hij de bestellingen als ballen in de lucht houdt.
Een internationale kaart dus, klassiekers, een twist, 7,5 in de krant.

Vanaf onze tafel kijk ik rond. Naast me zit een man alleen. Niet van hier. Een toerist. Hij spreekt het Engels van zijn moederland, met een accent dat hem onmiskenbaar introduceert als een burger van Japan. Hij voert trage gesprekken met de bediening. Elke zin daalt langzaam bij de ander in, de woorden worden een voor een geproefd alvorens te worden herkend.
Ober en klant in een langzame dans van taal, in grote concentratie geformuleerd en ontvangen, begeleid door knikjes en gaande gehouden door de gedisciplineerde inspanning die ontspruit uit respect, plicht, en voorkomendheid.
Een gedicht in duet.

De Japanner is hier de enige gast zonder gezelschap. In zijn land is het doodgewoon om zonder partner te dineren. Duizenden kantoorwerkers lepelen dagelijks noedels binnen op een barkruk, zwijgend geflankeerd door even solitaire lotgenoten.

Toch is zijn eenzame aanwezigheid hier bijzonder. Hij is kennelijk niet op zakenreis. Japanners doen in het buitenland business in gezelschap. Geen aanzien zonder ondergeschikten, de spiegel van je positie.

Is de man schrijver? Een artiest in elk geval. Dat maak ik hem, besluit ik. Tijdelijk losgerukt van vrouw en vaderland voor inspiratie en werk in Amsterdam. Beelden sprokkelend die hij in zijn hoofd tot decor boetseert van een onbekende geschiedenis, waarin de aanwezigen hier figureren.

Het geluid van honderd mensen golft van nok tot vloer, de conversaties vermalend tot zoem en galm. Het stuit op zijn stille kern. De man eet geduldig zijn maaltijd, in zekere rust en met een regelmatig ritme. Als je jezelf en je verhaal mee kunt nemen, is het overal aangenaam.

Af en toe beweegt zijn hoofd. Hij ziet ons, en bergt de beelden op achter zijn heldere ogen. Gesorteerd in onbekende laatjes, een voor elke bijzonderheid, eigenaardigheid, die aan ons en deze avond kleeft.

Ik voel dat niets hem ontgaat, zonder te weten wat hij waarneemt. Hij tekent op, en geeft ons betekenis. We worden ontvoerd naar een onbekend verhaal.

Hij kijkt naar mij en knikt licht zijn hoofd.

Ik ben de vreemdeling geworden.

Ondertussen in Amsterdam, 20 maart 2018

Het restaurant wordt verbouwd. De zaak serveert burgers, modieus en vrolijk. Een groot broodje zonder vlees, met vis en quinoa, met iets en anders.
Als een dominee met een feestneus, een koe met een pruik.
Hip is het, het loopt storm, bestaat een paar jaar en wordt nu strak getrokken. Met je tijd mee gaan voordat je die uit het oog verliest, ze je te vondeling legt in het verleden.

Het verleden. Een pand met een horecabestemming. Voor de burgers zich hier vestigden, werden er pizza’s gebakken. Duizenden zijn er in platte kartonnen dozen geschoven.

En toen ik de straat leerde kennen, in de jaren 70, huisde er een Chinees restaurant. Elke dag open, sleten man en vrouw er hun leven. De inrichting was sober, en toen al gedateerd. De deur klemde, het rode tapijt bolde in het spoor naar de toonbank. Stuk gelopen door hongerige klanten, met hun hoeven trappelend op het tapijt in afwachting van eten, bami, nasi, speciaal of gewoon, met een plakje ham en een spiegelei.

Zo heb ik daar vaak gestaan. Zonder conversatie. De tijd stond er stil en hield alle woorden tegen die het heden konden binnen laten. Geen nieuwtjes, geen praatjes.
Hier sprak men alleen het hoogst nodige. De bestelling.
Die werd met Chinese karakters door de vrouw op een klein briefje getekend en verdween achter een luik. Daar bakte de man het verlangde en legde het resultaat in een plastic bakje. Na enige tijd, die in de stilte van alle haast ontdaan was, ging het houten afschot open en schoven handen de bakjes naar voren. De zwijgzame vrouw vatte ze in plastic zakjes en ruilde het eten voor guldens. Buiten was het vandaag.

Toen, op een dag, waren ze weg.
De pizza’s namen bezit van de ruimte.
Begeleid door twee verlegen mensen, broer en zus, die iedere keer blij waren dat je de deur had gevonden en bereid was die te openen. Ze waren er niet lang, de pizza’s begroetten elkaar opvolgende bakkers en eigenaren die steevast na korte tijd het stokje doorgaven. Het was geen huis om in op te groeien. Een opstapje, een dak boven je hoofd, met als anker de oude toonbank van het Chinese restaurant en de kartonnen wanden, waar 2 meter na de voordeur de kleine WC in was verstopt.

Dit vollkstoneel werd ons ontnomen toen de burgers de ruimte stripten, het tapijt op straat zetten en de witkwast de schemer van nasi en pizza’s voorgoed verdreef.
De nieuwe tijd was aangebroken.

Het stroomde vol met jonge mensen en niet lang daarna vermenigvuldigden de burgers zich naar andere delen van de stad. Ze werden een concept en daarna een begrip. Zoals de halsbandparkiet, ooit ontsnapt uit een huiskamer, een tak vond en een Mokums vogeltje werd.
In Amsterdam omarmen we moeiteloos modes en verorberen we met een paar happen voorbije tijd.

Het huis wordt verbouwd. Ik weet, zijn houten palen staan al eeuwen in het oeroude veen. Ze dragen moeiteloos deze nering en alle opvolgers die korte tijd fris, nieuw en tijdloos zijn.

In de avond is het huis verlaten en ziet me staan. Ik kijk terug.

Op het het rode tapijt wacht ik
tot het luik zich opent.