We zijn in het café in gesprek als de man mijn vriend aanspreekt: ‘Hé man, ga je vreemd?’ ‘Ja, zo is het, ik ken hem langer dan jou, weet je.’ Hij kijkt naar mij en stelt me voor. De ander schuift op het uiteinde van het bankje, blaast rook uit een glazen pijpje en wijst: ‘Weet je wat zo fijn is? Je stinkt niet uit je bek van dit spul. Als ik vroeger thuis kwam bij mijn liefde, mijn eerste vrouw, en mijn tweede” – hij lacht – “en mijn derde, dan moest ik eerst douchen en verkleden voor ik me kon vertonen. Dat is niet meer.’ Bedoelt hij het omkleden of de liefde? ‘Ik ben ooit wel gestopt hoor. Maar na een paar jaar toch weer begonnen.’ Hij is even stil als de herinnering zich opdringt. ‘Ik zit op het Griekse eiland op het terras als ik mijn vrouw langs zie lopen. Hé, ze zou toch bij de kleine jongen zijn? Ze loopt naar de brievenbus en post een envelop. Toen begreep ik, ze heeft na anderhalf jaar nog steeds contact met die goser. Ik ben opgestaan, rechtstreeks naar de tabakszaak gelopen en weer begonnen.’ Roken troost. Heel even.
Vakantie in Nederland. In jaren voelde ons land niet zo groot, onze grenzen zo buiten bereik en het buitenland zo ver heen. Vliegen is opnieuw exotisch, een avontuur voor waaghalzen. Of voor rijke mensen misschien.
In 1973 stappen we voor het eerst in het vliegtuig om in Salou, Spanje zomervakantie te vieren, eng en opwindend ineen. De meeste dingen die opwindend zijn, zijn dat omdat ze ook spannend zijn. En wat eng is, geeft doorgaans enige opwinding . Dat klopte dus samen wel.
Nu vieren we onbezorgd vakantie in Hall. Een natuurhuisje op het erf van vriendelijke mensen, omringd door boomgaard, moestuin, grasveld, borders, boompartijen. Het Nederlandse coulisselandschap in zijn oude schoonheid.
De kinderen zijn bij ons aangesloten. We praten over juli tweeduizend-toen, de zomer dat we … …. in Namibië, voor dag en dauw in jeeps op pad gaan om woestijnolifanten te zoeken en te vinden… … in Indonesië, de eerste avond in Yogjakarta aan de rand van een rijstveld eten, de zon daalt, de geur van de avond nestelt zich bij ons en als ik vraag:
…. in Vietnam gevieren in de nachttrein van Hanoi naar Danang slapen. Een paar vierkante meter, groot genoeg voor 2 stapelbedden en een nacht slaap, reizend door Zuidoost Azië…. …. de maisvelden in Italië bij de grens met Slovenië in ons geheugen opslaan, waar we van rotsen in een meertje springen en twee oudere jongens indruk maken op de dochters…. …. in Canada bij de Niagara Falls varen…. …. plannen maken voor Tokyo in het najaar van 2016….
We fietsen door woorden als Ellecom, Loenen, Carolina Berg, Middachten, Avegoor, De Vrijenberg. Namen die je zomaar in Namibië of Zuid-Afrika tegen kunt komen. En doorkruisen Laag-Soeren, waar mijn grootouders in 1940 een vakantiehuisje huren en met 5 kinderen vanuit de Watergraafsmeer naar toe fietsen. In 1953 logeren mijn pasgetrouwde ouders opnieuw in Laag-Soeren met de drie jongsten uit het grootouderlijk gezin dat inmiddels 8 kinderen telt. In de sporen van de tijd en van mijn familie, hoe zou ik me hier ooit niet thuis kunnen voelen?
Coulisselandschap ja, middeleeuwse kerkjes aan kromme wegen, uitgestrekte bossen, de zandbak van de Veluwe door het ijs in golvende heuvels ineen gedrukt. Sporen van horige boeren die in de 14e eeuw op De Vrijenberg optrekken tegen het gezag, we hoeven geen krant te lezen, we fietsen een rondje en zijn bij.
In Loenen geen Falls maar de grootste waterval van Nederland. Jacobus Craandijk stond hier in 1888 en schreef:
“‘t Is geen Zwitsersche of Noorweegsche bergstroom, die donderend neerstroomt langs magtige klippen en wolken van schuim doet opstuiven in zijn geweldige verbolgenheid. Wij zouden wel dwaas moeten zijn, om iets dergelijks hier op de Veluwe te verwachten en verkeerd zouden we doen, als wij de herinnering aan zulke overweldigende natuurtooneelen ‘t genoegen lieten bederven, dat het gezigt van dezen Loenenschen Waterval ons bereiden kan.” (Nieuwe Wandelingen door Nederland)
Mijn grootouders hebben hier in 1940 met vijf kinderen gestaan. Vier van hen zijn nog in leven. Ik kijk naar de foto van de reisschrijver. Het ontroert me. Beter had hij het niet kunnen zeggen.
Binnenkort gaan we naar Schouwen-Duiveland.
Schouwen. Duiveland. Spreek die woorden langzaam uit.
Een landschap krijgt de naam die het verdient, en verweerd door de tijd, gaat de aanleiding op in identiteit. Zoals het leven zelf.
De straat is stil. Amsterdam is bewolkt, de burgemeester heeft gisteren de Wallen droog gelegd. Geen bier in de verkoop, ondernemers en onbezonnen consumenten zijn een krachtige slag toegebracht. De coffeeshops kunnen onbekommerd in alternatieve beneveling voorzien. De Engelse en Duitse persbureaus worden geïnformeerd.
Tussen de planten voor de deur vind ik twee spijkerbroeken, twee T-shirts, een toilettas en een tube tandpasta, bij elkaar gevouwen en opgeborgen tegen de muur naast de uitbundig bloeiende rozen en lavatera. Het geheel is afgezegend met peuken die als garnering op een maaltijd rondom verspreid liggen in de aarde.
Stille getuigen van een feestje dat steeds intiemer werd? Waarbij het verlangen naar huid zo vlamde dat het de behoefte aan reiniging deed verdampen? Wég met die zeep en borstel, de nacht is lang en alle ballast hinderlijk?
Of….. ik zie dat de toilettas een buitenmaat is en uit buikt…. zijn dit de getuigen van een sluwe kraak nabij, zo voorbereid dat de daders om de hoek kleding wisselden en zich in een oogwenk van uniform én gereedschap hebben ontdaan?
Een paar jaar geleden vond ik in een plantsoen van een naburige straat de klassieke hamer en koevoet, onontbeerlijk om je werk als insluiper naar professionele standaard te kunnen doen. Nu word je in dat beroep niet lastig gevallen met een klanttevredenheid-vragenlijst:
“Mogen we een paar minuten van uw tijd? ”Gaat uw gang, ik ben toch al even bezig met de slotenmaker om de schade te repareren, (dat heeft u keurig kapot gemaakt) en met de politie om aangifte te doen (uw hebt uw sporen netjes weggepoetst)” ”Mijn waardering? Ja, ik zou u zeker aanbevelen aan vrienden en familie”.
We weten dat de opdrachtgevers andere middelen gebruiken om hun waardering te uiten zonder omslachtige vragen te stellen. De Autoriteit Persoonsgegevens kan daar wellicht een rapportje aan wijden als het na Covid ooit weer komkommertijd wordt?
Ik laat de toilettas gesloten, mocht ze al instrumenten van hygiëne bevatten, dan is dat geen garantie dat ze in acht is genomen. En is fantasie niet te verkiezen boven kennis?
Ik leg alles bij het vuilnis waar de tas binnen 5 minuten wordt ontdekt door een stadsjutter die met diepe fietstassen de nalatenschap op de straathoeken inspecteert. Als notaris van het tweede leven geeft hij objecten van waarde door aan een nieuwe eigenaar. De toilettas wordt aan zijn hengsel opgevist, getaxeerd en goedgekeurd. Op weg naar een klus met weinig investeringsmiddelen. Of naar de minnaar die ontwaakt uit het delier van de nacht en een onbedaarlijke aandrang tot kuising ervaart.
In de rij bij de supermarkt. Het stokt 50 centimeter na de ingang. Mensen zwermen rond groente en fruit, verenigd als de witlof die in een kistje warmpjes opeen gedrukt wacht op de hand die haar plukt.
Bij het fruit aarzelt een vrouw tussen aardbeien, bramen en frambozen. Twijfel kan een mens overal overvallen. Ik sta stil en kijk hoe ze een stap naar rechts en naar links maakt. Ik beweeg als een bokser in verdediging mee. Hoofd naar achter, hoofd naar voren. Een klant wringt zich tussen ons in en trekt een doosje zomerfruit naar haar toe. “Heb je haast”, vraag ik? “Ik sta ook te wachten”.
Het ronde hoofd beweegt op een paar decimeter afstand door de schrale lucht. “Ja inderdaad, sorry”.
Ze spoedt zich naar de groente, waar de klanten grazen in de bakken en elke onverhoedse beweging een aanraking betekent. De huidhonger is onmiskenbaar.
Veel is nog onbekend over het coronavirus, maar één ding staat vast. Het verdwijnt als eerste uit het bewustzijn – de precieze locatie daarvan in de hersenen is ondanks de opkomst van de biologische psychologie nog steeds een raadsel – en daarna pas uit het lichaam. Geruststellend voor iedereen die weet dat ontkenning onze eerste verdediging is. Dat heeft de psychologie dan weer wel uitgezocht. Op die mentale kwaliteit kunnen we altijd terug vallen.
Na een korte opleving van de overheid waarbij we ons verlieten op haar aanwijzingen en de naleving vooroorlogse hoogten bereikte – rattenvangers als Baudet en enkele zieltogende BN-ers daargelaten, hun bestaan is nu eenmaal noodlottig gefundeerd op aandacht – heeft het gezag zich weer teruggetrokken achter haar bureau en regeert de papieren werkelijkheid als vanouds de maatschappij. Die heet nu 1,5 m samenleving. Taal creëert vrijheid. Ook voor oude gewoonten.
In Amsterdam is de gemeten dosis coronavirus in het riool in een week tijd vertienvoudigd, bleek op 10 juni. Alles is anders. Gelukkig doen we weer normaal.