De expositie ontfermt zich over het verleden van moderne kunstenaars. Modern, niet meer dan een verwijzing naar vandaag, deze tijd, alsof ze ons persoonlijk zullen verwelkomen in het oude kasteel in Rivoli.
“Komt u binnen, het is mij een eer, kent u mijn werk?”
Het is geen vraag, de artiest geeft me de kans lof toe te zwaaien, met de blik over de schouder van de prima donna, wetend dat ik kijk. Ik zie het kapsel van de jaren zestig; het half lange steile haar met scheiding en lok, en de idioot grote zonnebril leiden meteen af, deze createur ís kunst, althans wil het zijn, weet nog niet dat hij straks gedateerd zal zijn, zijn onoverwinnelijkheid pathetisch en menselijk. Ik ontwijk de vraag, knik ongemakkelijk, de gevraagde bewondering wil ik nog niet geven, eerder een stap naar achter zetten, om te bekijken, want nieuwsgierig ben ik wel. Hij is niet alleen, vriendinnen en vrienden staan bij elkaar, lurkend aan een sigaret kijken ze koud en uitdagend in de lens van de fotograaf die dit moment vastlegt. Wij bepalen, zeggen ze, de smaak, de mode, de hiërarchie van schoonheid en aantrekkingskracht. Ik weet, overal staan bazen op, omdat er volgers zijn, iemand een foto neemt.
Ik loop door de zalen. Drift gestold in werken die eenzaam in achttiende-eeuwse ruimtes wachten op de bezoeker die de pas enkele seconden inhoudt, een blik over de oppervlakte laat vallen, bij een impuls van schoonheid een foto met de iPhone maakt, om het niet zelf te hoeven herinneren.
Ze zijn niet hier, de kunstenaars, bejaard zijn ze of dood. Samen liggen ze in de vitrine, het moment van adoratie uit de tijd getild, de triomf op hun gelaat plat gestreken onder glas, omringd door vergeelde teksten, pamfletten, waar uren, dagen, jaren aan is geschreven, een nagelaten spoor van lettertype en layout, van meningen en mode, dat ik niet mag lezen, het glas verzegeld, de woorden vergaan, wat rest is het beeld, de initialen gekerfd in de muur, Ik was Hier.
In Roye zijn de trottoirs behangen met bloemige projectielen die het zwarte asfalt – geen klinkers – kleur moeten geven. Elke 50 meter kijk ik schuin omhoog en verbeeld me dat de ketting breekt en de schotel mijn schedel plet. Tot de hemel breekt, lopen we langs bakstenen gevels, onteerd door kunststof kozijnen en deuren van de Doe-het-zelf-winkel. Achter de vitrages lichten TV-beelden op. Een auto geeft gas in de lege straat.
Tussen de oude huizen rond het dorpsplein staat een platte doos met reclame op haar voorhoofd. Het zijn verwensingen uit een gehavende mond. Zoals in Japanse plattelandssteden als Bibai zijn in Roye om de drie blokken happen uit de straatwand genomen om een parkeerterrein te creëren. Ook het huizenblok naast de kerk is halverwege geamputeerd, waarna de wond is geasfalteerd. De auto’s die het offer met parkeergeld lonend hadden moeten maken, ontbreken.
Het virus van de vooruitgang heeft Roye lang geleden gevonden. Ze hapt nog steeds naar adem.
We lopen in de beeldentuin van een industrieel. Terwijl wij zijn kunst bekijken, beziet hij ons, vanuit zijn kraaiennest in het rietgedekte huis. We zwermen uit, de gids zet de pas erin, twee minuten per beeld, en rap zijn we tien bomen verder – wees ze naar links of ging ze naar rechts ? – wie treuzelt valt halverwege in het verhaal dat veelal eindigt met het materiaal waaruit de creatie is vervaardigd en de aanmoediging het beeld te betasten, de groeven, de gladheid, de glans te voelen. Er wordt gereflecteerd. “Belgisch hardsteen heb jij daar wel eens van gehoord? “ “Nee, ik zit niet zo in stenen.” Misschien vindt de eigenaar morgen een verwilderde bezoeker die het tempo niet bij kon houden, afgeleid door de schoonheid van Richard Long’s stenen.
Verdwaald in het bos ten einde raad overnachtend in het kippenhok van Atelier van Lieshout. We wandelen in een toevallige groep van stellen en vrienden. Mensen lopen in de weg bij foto’s, de vrouw in de rode broek aait nu alle beelden al voordat de gids ons heeft aangespoord. “Zou die Armando nog leven denk je?” Als we het huis passeren, loert ieder naar de ramen. De vrouw die voor me loopt, bespreekt met haar vriendin het leven van de multimiljonair. “Maar ja. Als je zo’n grote tuin hebt, heb je niet genoeg aan 2 beelden.” We eindigen op het terras. De man in korte broek slaat hard op zijn been. “Dat is twee”.
“Je suis un clochard, pas un profiteur”, roept de man naar de verkoper die naast hem zijn waar aanprijst. Identiteit definieert het leven. Hij zit hoog, een ferme koffer met opdruk ‘Hoffmans’ dient als zetel. Aan zijn flank een onooglijk keffertje. Het slaapt. De buik spant ongedwongen onder zijn shirt. Samen zijn ze de poortwachters op de brug die naar de voorzijde van de Notre Dame leidt. Een hijskraan steekt boven haar torens uit. Het dak is open, een eerste nieuwe constructie van hout zichtbaar na de brand van 2019. Parijs. De geur van gebraden kip verspreidt zich door een winkelstraat. Een oud mannetje met vale polo en afgedragen jasje schuifelt voorbij. Gebogen schrijdt hij voort, met kleine stappen, alsof hij een rots beklimt. Het mondkapje hangt op de kin. Ieder gaat de eigen weg. Sommigen hebben de helm gesloten, anderen laten hun gezicht vrij. Niemand houdt afstand. De metro is druk, de eerste Amerikanen treffen we in het hotel.
We verlangden naar het vreemde en het voelt vertrouwd.