Ondertussen in Amsterdam, 5 mei 2020

De crisis

Het woonzorgcentrum is op slot. Mijn schoonvader dobbert tijdens de corona-maanden in een aquarium waar geen vis in of uit kan. Alleen de verzorgers strooien voedsel en brengen aandacht binnen bereik. Liefdevol, moedig en trouw. Als de grens met de buitenwereld rimpelt, openen vissen hun lippen om het manna te ontvangen. Mijn schoonvader wacht op zijn beurt.

Als we langs zijn statige pand lopen, proberen we door het glas van de voordeur te kijken. Ik strek mijn nek en zie door een kier de huiskamer met een uitsnede van een man. Hij leest een boek. In rust, zijn ogen naar de bladzijden gericht. Hij is het.
Zoals altijd wanneer we op bezoek komen, leest hij, omgeven door bewoners die onrustig zijn. De buurman herhaalt elke minuut het ene woord dat hij nog kan formuleren. Anderen wisselen zinnen die geen gesprek worden. Mijn schoonvader koestert onverstoorbaar zijn eigen luchtbel. Zien ze hem niet? Niemand die hem aanspreekt, alsof hij getooid is met Harry Potters Onzichtbaarheidsmantel. Misschien heeft hij zijn opleiding op Zweinstein gekregen en houdt hij zich meesterlijk schuil onder de Dreuzels. Wat wij heftig vinden, ontsnapt hij al voordat het hem bezwaart. Zijn bezemsteel heb ik bij het opruimen in Voorburg niet gevonden maar dat zegt natuurlijk niets. Wij toveren niet.

Hij leest nog steeds. We wandelen langs de gracht verder, gerustgesteld.

De communiqués van het centrum volgen elkaar op. Plechtig wordt uitgelegd dat men alles in het werk stelt om de veiligheid van de bewoners te borgen, de regels van de overheid op de voet volgt en mondkapjes derhalve niet nodig zijn, behalve dan wanneer een medewerker onverhoopt ziekteverschijnselen heeft. Dat lees ik nog een keer. En dan nogmaals. Die verzorger mag dan doorwerken, begrijp ik, ziek mét het mondkapje, dat tot dat snotterige moment is aangebroken zorgvuldig achter slot en grendel wordt bewaard. Uit de emails spreekt weinig onzekerheid. Argumenten gestapeld als slecht passende steentjes en gelijmd met beleid. Ook dat hoort bij een crisis. Hoe komt dat beleid bij de verzorgers binnen, die dagelijks langs het ravijn lopen, en wonderwel hun evenwicht en goede moed behouden? Het wekt nog meer ontzag.

Het wonder geschiedt niettemin. Niemand van de veertig bewoners is officieel coronaziek. Mijn schoonvader spreken we via de Ipad die de verzorgers als moderne telefonistes bij de gebelde inprikken:
‘U heeft bezoek!’
Zijn gezicht is op het scherm. Hij is vrolijk, geïnteresseerd en snel tevreden. Na een paar minuten klinkt het:
‘Nou, doe iedereen de groeten en dank voor het bellen, het beste!’

De laatste weken mag er aan weerszijden van een glazen deur worden gesproken. Het is een uitzonderlijke situatie met het corona-virus, dat begrijpt hij. Sinds maart heeft geen bezoeker het woonzorgcentrum betreden. Hij zegt geruststellend:
‘Ja, kijk, dan zijn er een heleboel mensen ziek en dan noemen ze dat een epidemie.’
Problemen zijn er om een kopje kleiner gemaakt te worden. Zijn bezemsteel heeft hij nog.

5 gedachten over “Ondertussen in Amsterdam, 5 mei 2020”

  1. Ik vind ook dit verhaal over jouw schoonvader weer erg mooi. Het zijn beelden die op mijn netvlies blijven staan.

  2. Weer een verhaal dat beklijft, een figuur die blijft , de tekening achter het glas waar je langsloopt en waar je niet bij kunt. Kunnen we dat straks weer, konden we dat eerder wel? Elkaar aanraken ? Ik denk het wel maar het zal voorzichtig geprobeerd moeten, als straks de steentjes anders aan elkaar gelijmd zullen worden. Nu is er dit verhaal, ik ga het nog eens lezen….

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.